Op klaarlichte dag

door Renske van den Broek

Het is half twee ’s nachts. Mijn lakens ruiken muf. Ik heb wiskundebenen. Over een paar uur zie ik Bern. Op mijn vingers tel ik na wanneer ik hem voor het laatst gezien heb. Bijna vijf jaar geleden. Echt? Ik tel opnieuw. Ja, echt.

Het is twee uur. Toch even weggedommeld. Ik droomde dat Bern een voor een van alle familiefoto’s werd gewist. Hijgend rende ik door een labyrint. Ik moet hem vinden, anders zal hij helemaal verdwijnen.

Kwart voor drie. Heb ik nog ergens schone lakens? Ik sta op om te zoeken. Geen lakens, wel een halfvolle fles cola zonder prik. In één teug drink ik hem leeg. Ik pak mijn fotoalbum uit de kast en sla het open. Bern is niet gewist, hij geeft mij de fles op een donkerbruine ribfluwelen jarenzeventigbank, gestut door bruin-wit gestreepte kussens. ‘Bernard en Vos, december 1976’, staat in hanenpoten onder de foto. Toen waren we nog broer en zus. Terug naar bed. Zodra ik mijn ogen sluit, dwaal ik weer door het labyrint, ook al ben ik gewoon wakker. Mijn benen gaan sneller dan ik kan bijhouden. Alle straatjes lopen dood.

Vijf over vijf: ik geef het op en stap uit bed. Wind komt door het open raam mijn kamer binnen en doet mijn gordijnen bollen. Buiten schemert het. Klappertandend sta ik in een T-shirt en onderbroek voor mijn kast. Normaal volstaan een spijkerbroek en een truitje. Nu aarzel ik. Hoe kijk je naar jezelf door de ogen van iemand die je vijf jaar niet hebt gezien? Uiteindelijk kies ik een broek die net iets te klein is, maar die me wel goed staat. Volgens mijn moeder zie ik er volwassen uit in die broek. Volwassen is goed. Het laat zien dat ik de afgelopen vijf jaar niet heb stilgestaan. Dat ik alles op orde heb. Dat ik geen kind meer ben.

De wekkerradio springt aan: ‘Goedemorgen, vroege vogels. Het is 11 augustus 1999. Om drie over elf zal de maan voor de zon schuiven en is het twee minuten en drieëndertig seconden lang nacht op klaarlichte dag, tenminste, als u op de juiste plek bent. Meer nieuws over de zonsverdui…’

Ik geef zo’n harde hengst op de radio dat het voorkantje eraf vliegt. Stilte suist in mijn oren. Van de afgelopen jaren ken ik alleen flarden, brokstukjes, een telefoongesprek, de tranen van onze moeder, het zwijgen van onze vader. Bern was onvindbaar totdat hij een paar dagen geleden opeens bij mama voor de deur stond. Gisteren belde hij: of ik meeging kijken naar de zonsverduistering. Dat moet toch iets betekenen. Voorzichtig laat ik de sleutel van Prins Hendrikstraat 21 in een envelop glijden. ‘Voor Bern’, schrijf ik erop. Het is een verrassing.

Hoe dichter bij het station ik kom, hoe langzamer ik ga fietsen. Op het laatst ga ik zo traag dat ik bijna omval. Was hij maar gewoon van de aardbodem verdwenen. Dat was tenminste duidelijk geweest. Pijnlijk, maar duidelijk. Zijn vrienden wisten dingen die ik niet wist. Zelfs mama wist meer. Bijvoorbeeld dat hij jarenlang in Nicaragua heeft gewoond. Hoorde ik gisteren voor het eerst. Alsof het over een verre neef ging. Hoe beland je in godsnaam in Nicaragua? Er zitten zo veel stappen tussen vertrekken uit Nederland en settelen in Nicaragua. Ik snak naar antwoorden, maar neem me voor om nergens naar te vragen.

De klok op het spuuglelijke gebouw staat op vijf over zes. Ik sta te dralen voor de ingang. Straks komt hij niet opdagen en sta ik daar voor janlul. Onzin, spreek ik mezelf toe, zoals mijn moeder me zou berispen. Het helpt. Ik loop naar binnen.

Hij is er. Zie je wel. Met grote passen loopt hij heen en weer over het perron. Zoekend, onrustig, zo ken ik hem. Hij ziet er een stuk ouder uit dan negenentwintig jaar. Zijn haar is pluizig en dun. Of hij al die dingen nog steeds doet, weet ik niet en ik ga er ook niet naar vragen. Hij raapt iets op van de grond, ruikt eraan en steekt het in zijn zak. Dan ziet hij me. Zijn gezicht breekt open. Met gespreide armen loopt hij op me af en omhelst me. ‘Vos, godverdomme, kijk nou naar jezelf!’ schreeuwt hij.

Mijn kus belandt in de lucht in plaats van op zijn wang. Mijn hoofd suist. Waarom ben ik hier zo slecht in? Hij draagt een oud ski-jack van mama: lila met reflecterende strepen.

‘Cafeïneshot?’ Hij haalt een thermoskan uit zijn rugzak die ik herken van kampeervakanties, van thee met melk en suiker aan picknicktafels op parkeerplaatsen naast benzinestations, van vlak voor de scheiding.

Zonder mijn antwoord af te wachten duwt hij twee plastic bekertjes in mijn handen en schenkt ze vol tot aan de rand. Als de intercity binnenrijdt, grist hij er een uit mijn hand en draaft mee tot de trein sissend tot stilstand komt. Ongeduldig ramt hij op de knop tot de deuren opengaan. Koffie klotst over zijn arm.

Op een paar mannen in pak na is de coupé leeg. Bern gaat recht tegenover me zitten, vuisten gebald onder zijn kin, ellebogen op zijn knieën, en staart me vervolgens schaamteloos aan. Ik wil zo veel zeggen dat mijn brein kortsluiting maakt.

‘Wanneer is dit in godsnaam gebeurd, Vos?’

Het lijkt wel een sollicitatie. Ik haal mijn schouders op. ‘Mensen worden ouder.’ Kijk in de spiegel, wil ik eraan toevoegen.

‘Ik ben verdomme toch geen eeuw weggeweest?!’

‘Papa’s bruiloft is vijf jaar geleden.’

‘Ach natuurlijk, hoe kon ik het vergeten.’ Plechtig kijkt hij in de verte. ‘De gedenkwaardige dag waarop onze verwekker ten overstaan van alle bruiloftsgasten zijn zoon met het taartmes de zaal uit joeg.’

Ik wil het overal over hebben, behalve over onze vader.

‘Hoe heette die vrouw ook alweer, Charlotte?’ vraagt hij.

‘Nee, zo heette die daarvoor. Deze heette Chantal.’

‘Serieus? Charlotte en Chantal.’ Hij barst in lachen uit.

‘Maar ze zijn alweer gescheiden.’

‘Ouwe geilneef, met z’n harem. Hebben wij elkaar daarna echt niet meer gezien?’

‘Je hebt me nog één keer gebeld. Collect call, weet je nog?’

Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes.

In gebroken Engels vroeg een vrouwenstem of ik het gesprek aannam. Ze zei niet wie er belde, maar het kon maar één iemand zijn. Zodra de verbinding tot stand kwam, vroeg ik waar hij vandaan belde. In plaats van te antwoorden, begon hij te ratelen over loslopende boerderijdieren die opstoppingen veroorzaakten op onverharde wegen terwijl mensen in volgestouwde bussen geduldig zaten te wachten. Zijn stem klonk ver weg.

‘Er staat me vaag iets van bij.’

‘Je vertelde dat de buschauffeur iedere dag een stukje afweek van de route om langs zijn huis te kunnen rijden, want dan kon hij zijn vrouw kussen in de deuropening, en de vrouw zwaaide dan naar de mensen in de bus en de mensen in de bus zwaaiden terug en je zei dat dát de essentie was van een gelukkig leven.’

‘Zei ik dat echt?’

‘Precies met die woorden.’

Met een zucht laat hij zich naar achteren zakken en hij staart uit het raam.

‘Waar was je?’

‘De mooiste plek op aarde. Isla de Ometepe.’

Ik herhaal het fluisterend, als een mantra.

Hij glimlacht. ‘Het is precies zoals het klinkt. Maar genoeg over het verleden.’ Opgewekt knakt hij zijn vingers en haalt twee kartonnen eclipsbrilletjes uit een binnenzak: een rode en een groene. ‘Uw reisleider heeft aan alles gedacht!’

Ik kies rood. De lucht is zo grijs dat ik me niet kan voorstellen dat de zon zich vandaag nog laat zien. Bern haalt een verkreukeld A4’tje uit een binnenzak, vouwt het open en schraapt zijn keel. ‘Zoals het reisschema dicteert brengt een intercity van Nederlandse makelij telgen van de familie Van Zetten van het wanstaltelijke Eindhoven naar Antwerpen Centraal. Dit alles zal plaatsvinden op het onmenselijke tijdstip van veertien over zes des morgens, waarna hun reis om zeventien over acht zal worden vervolgd door een Belgisch boemeltje naar het einde van de wereld, alwaar zij om drieëntwintig voor tien zullen arriveren, exact veertig minuten voor aanvang van het kosmische spektakel. Als we de Belgische spoorwegen moeten geloven tenminste, wat geen verstandig mens doet, natuurlijk – vandaar de ingebouwde marge.’ Hij grijnst. Links en rechts in zijn gebit zitten zwarte gaten. Zeker vier tanden ontbreken.

In mijn zak voel ik de sleutel door de envelop heen. ‘Waar slaap je eigenlijk?’

‘Bij de vrouw die me negenentwintig jaar geleden de wereld in slingerde.’

Dat wist ik allang natuurlijk. ‘Is dat niet irritant?’

‘Irritant? Ze is zo verheugd dat ze haar verloren zoon terug heeft dat ze niets anders doet dan me de godganse dag vetmesten.’

Typisch mama. Praten over wezenlijke zaken kan ze niet, dus wast ze ongevraagd je kleren of mest ze je bestekla uit. Haar onbeholpen uiting van liefde.

‘Wil je niet liever iets voor jezelf?’

Triomfantelijk haalt hij een aluminiumfolie pakketje tevoorschijn. ‘Ze stond om kwart over vijf boterhammen te smeren in haar ochtendjas.’

Nu lacht hij om dat lunchpakket, volgende week komt haar bemoeienis hem de neus uit.

Bern buigt zich naar me toe en legt zijn handen op mijn knieën. Ze zijn groot en warm. ‘Als kind was jij al gek op alles wat met de ruimte te maken had, toch?’

Een gesprek met mijn broer is als een achtbaan in het donker, je weet nooit welke kant hij op gaat of wanneer je opeens aan een looping begint.

‘Kijk maar niet zo verbaasd, er is heus wel iets blijven hangen in die grijze massa. Jij was altijd aan het klooien met die telescoop. Als het aan mij lag hielden we dat ding dag en nacht op het badkamerraam van de buurvrouw gericht, maar jij moest zo nodig op zoek naar de manen van Jupiter.’ Hij glimlacht zoals mama nog steeds glimlacht als ze over hem praat, ook al heeft hij haar van de ene op de andere dag in de steek gelaten.

‘Daarom dacht ik dat die zonsverduistering wel wat voor jou zou zijn. Heb ik gelijk of niet?’

Sinds ik op de toneelschool zit, ben ik een weekdier geworden, om de haverklap moet ik janken. Natuurlijk heb ik hem gemist, maar nu zijn we weer samen. Geen reden om te grienen. Geconcentreerd bestudeer ik de snelweg die langs het spoor loopt. Alles staat vast. Uit alle macht slik ik mijn tranen weg. ‘Je hebt gelijk,’ zeg ik.

‘Bingo, ik mag door voor de kleurentelevisie!’ roept Bern.

‘Vergeet de citruspers niet.’

‘Nog mooier, een citruspers! Dames en heren, het kan niet op vandaag! Trouwens, na de zonsverduistering ga ik meteen door. Vrienden van me hebben een pandje gekraakt in Brussel, maar zeg dat maar niet tegen mama.’

Dat was het dan. Die hele zonsverduistering was een preventief goedmakertje.

‘I’ll be back,’ zegt hij met een Arnold Schwarzeneggerachtige stem.

‘Na vijf jaar zeker pas weer.’

Hij legt zijn hand op zijn hart en recht zijn rug. ‘Bij deze beloof ik plechtig dat ik iedere vijf jaar naar huis kom om mijn lustrum te vieren.’

Woest veeg ik mijn tranen weg.

‘Niet zo sip, zusje.’

‘Ik heb een kamer voor je. Hij is niet groot, maar je kunt er zo in.’ Het is eruit voor ik er erg in heb. Hij kijkt me aan, hand nog steeds op zijn hart. Druppels trekken lange banen over het raam.

‘Wat denk je ervan? Woon je wel weer in een studentenhuis, maar het is beter dan niks.’

‘Ik heb nog helemaal niet gevraagd hoe het eigenlijk met je is. Gaat het wel goed met je?’

‘Hoor je überhaupt wel wat ik zeg?’

Hij probeert mijn handen te pakken, maar ik sla mijn armen over elkaar. ‘Het gaat goed, Bernard. Prima zelfs. Kon niet beter. Komend jaar studeer ik af.’

‘Kunstacademie toch?’

‘Theater.’

‘Natuurlijk. Theaterrrrrrr! En… word je daar gelukkig van?’ Hij houdt een denkbeeldige microfoon voor mijn mond.

‘Het is wat ik altijd wilde.’ Met een klap schuif ik het raam boven onze vierzitter dicht.

‘You’re dodging the bullet!’ brult hij door de coupé. Sommige mannen kijken op van hun krant.

‘Rot op met je spelletjes.’

‘Ben je echt gelukkig?’ Nog steeds die denkbeeldige microfoon in mijn gezicht.

Ik duw zijn hand weg. ‘Flikker op.’

‘Wat nou? Mag ik geen interesse meer tonen?’

‘Ik kan de huur voorschieten tot je werk hebt gevonden. Papa maakt iedere maand een paar honderd gulden naar me over.’

‘Papa?’ Hij lacht kort en hard. ‘Ik hoef geen geld van die klootzak.’

‘Dat hoeft hij toch niet te weten.’

‘Dan nog. Heb je trouwens iets te blowen bij je?’

‘Jezus, dan vragen we mama.’

‘Niks te blowen?’

‘Nee.’

‘Iets anders te roken?’

‘In de Pink kunnen ze altijd wel mensen gebruiken. We draaien overuren momenteel.’

‘Die coffeeshop bedoel je?’ Hij lacht. ‘Niks voor mij. Ik consumeer liever.’

‘Alsjeblieft, denk erover na.’

Hij steekt beide handen in de lucht en zucht diep. ‘Ik denk erover na, drammertje.’

‘Beloofd?’

‘Beloofd.’

Uit zijn binnenzak haalt hij een stompje van een joint tevoorschijn en steekt ’m op. ‘Hijs?’ Een dikke wietlucht verspreidt zich door de coupé. Achter me wordt gekucht. Ik kijk om me heen. Bern staat op, kijkt de coupé rond en spreidt zijn armen. ‘Goedemorgen, lieve medereizigers, wij – dat wil zeggen: ik en mijn zusje, mijn zusje en ik – wij roken een joint.’

Verontruste blikken van boven kranten.

‘Ja, beste mensen, u hoort het goed: wij roken een pretsigaret, een hoerentoeter, een sticky.’

Ik trek hem voorzichtig aan zijn jas. ‘Laat die joint nou, Bern.’

‘Waarom? We zitten nota bene in een rookcoupé.’ Met een zucht ploft hij terug in de bank. Hij glimlacht de gaten in zijn gebit bloot en houdt de joint voor m’n neus. Voor de vorm neem ik een hijs. Het is opgehouden met regenen, maar de lucht is zo grijs dat het moeilijk te geloven is dat ergens achter de wolken de zon staat. Op de snelweg staat het nog steeds vast.

Op Antwerpen Centraal hebben we zeventien minuten overstaptijd. Bern wil per se sigaretten kopen en naar de wc. Het is een ingewikkeld station met meerdere niveaus. Voor de sigaretten moeten we naar de Delhaize. Die is boven. De wc heeft prioriteit en die is juist beneden. Om binnen te komen moet je twee kwartjes betalen, maar we hebben geen van beiden cash en de toiletjuffrouw bewaakt het poortje alsof haar leven ervan afhangt. Bern geeft mij opdracht te gaan pinnen en sigaretten te kopen, twee pakjes Benson & Hedges, het geld krijg ik straks terug. Hij maant me op te schieten en loopt zelf met grote passen de andere kant op.

De stationshal ziet eruit als de binnenkant van een kathedraal, compleet met glas-in-loodramen en trappen waarvan de treden zijn ingesleten door duizenden voeten. Het opgejaagde getik van hakken klinkt hol op de zwart-witte tegelvloer. Het waait binnen en nergens is een pinautomaat te bekennen. Bern haat wachten bijna evenveel als zijn zin niet krijgen, dan kan hij zomaar ontploffen. Wat dat betreft lijkt hij op onze vader. Al ben ik de laatste die hem dat ooit zou vertellen.

Als ik een paar minuten later de hal binnen kom rennen met het geld, staat hij diep weggedoken in die afstotelijke jas van mama tegen een kolossale trap met ornamenten geleund. ‘Waar bleef je nou?’ Voorovergebogen blijf ik staan uithijgen, wapperend met twee briefjes van vijftig. ‘Gelukt, alleen de sigaretten nog!’

Hij grijpt mijn arm en sleurt me mee door de lange gangen van het station. Of ik er drie pakjes van kan maken, vraagt hij op een toon die geen weigering duldt. Sigaretten zijn hier een stuk goedkoper, dus het is een win-winsituatie. Nog in de deur van de supermarkt trekt hij het plastic van het pakje, steekt een peuk op en neemt een paar diepe hijsen. Met het wisselgeld kan hij eindelijk naar de wc. Onze trein vertrekt over acht minuten. Zeven minuten later komt hij het toilet uit, de eclipsbril op het puntje van zijn neus, natte haren strak naar achteren. Hij buigt sierlijk als een ballerina en werpt voorbijgangers kushandjes toe.

Ik probeer hem mee te trekken. ‘Als we opschieten halen we het nog.’

‘Hohohohoho.’ Hij slaat een arm om me heen. ‘Nooit rennen voor het openbaar vervoer. Zeker niet voor de Belgische spoorwegen. Heeft niemand je dat ooit geleerd?’

Vlak voor onze neus rijdt het boemeltje weg. ‘We pakken gewoon de volgende, zusje. Die zonsverduistering halen we, dat beloof ik.’

De stationnetjes worden kleiner, rechttoe rechtaan weilanden maken plaats voor glooiende heuvels en de hoeveelheid telefoonpalen langs het spoor vertelt: we zijn in het buitenland. Mijn zenuwen maken plaats voor een vakantiegevoel.

Bern kan nog steeds niet stilzitten. Hij plukt aan de bekleding van de bank, aan mijn knie, aan zijn eigen knie, aan de sticker van de Belgische spoorwegen op het raam. Het is duidelijk dat hij al die dingen dus inderdaad nog doet. Van nature praat hij al snel, maar nu is de spraakwaterval nauwelijks meer bij te houden. Bij ieder station worden de nieuwkomers direct voorzien van een achtergrondverhaal: ‘Johan Vanfleteren, tweeënveertig jaar, na vier mislukte huwelijken sinds drie maanden weer single, insomnia, onlangs lag hij vijf nachten achter elkaar wakker, pas toen een leger van tuinkabouters door zijn slaapkamer marcheerde durfde hij de dokter te vragen om een slaapmiddel.’

Een gezette vrouw en drie even gezette kinderen wurmen zich de coupé in. ‘Julie Vlemincx, eenenvijftig jaar, getrouwd met basisschoolliefde Bert, vijf bloedjes van kinderen, waarvan twee vlak na hun geboorte overleden. Julie heeft last van chronisch eczeem en muzikale hallucinaties: een kort fragment uit de prelude in C-mineur van Johan Sebastiaan Bach achtervolgt haar al meer dan tweeëntwintig jaar. Naar eigen zeggen komt ze al aan wanneer ze alleen maar naar eten kijkt. Of het ruikt.’

De kinderen van Julie dragen eclipsbrillen. Hun opgewonden gekwetter werkt aanstekelijk. We staan op en drukken onze neuzen tegen het raam om naar buiten te turen. Flarden wolk maken zich als strengen suikerspin los en verdwijnen in het niets. De zon komt tevoorschijn, net lang genoeg om te zien dat de maan haar al zeker voor de helft bedekt. Opwinding gonst door de coupé. Bern springt op en neer als een kind. Opeens trekt hij me tegen zich aan en houdt me zo stevig vast dat het pijn doet. Zijn gezicht is vlak bij het mijne, zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd. Verkrampt sluit ik mijn ogen terwijl hij in mijn oor fluistert: ‘Vos, tweeëntwintig jaar, licht ontvlambaar materiaal. Studeert aan de toneelacademie, werkt in de coffeeshop. Twijfelaar. Is ze wel goed genoeg voor die school? Zal iemand op een dag dwars door haar heen kijken, haar ontmaskeren? En de hamvraag: moet ze die broer van haar niet uit haar leven snijden?’ In één adem gaat hij verder: ‘Bernard: negenentwintig jaar, mislukkeling. Is overal voor weggelopen en heeft zichzelf wijsgemaakt dat als hij naar het andere eind van de wereld zou vluchten, alles zich alsnog vanzelf zou oplossen… Sorry sorry sorry,’ mompelt hij met zijn neus in mijn hals.

Als ik mijn ogen open, staart de halve coupé naar ons. Het boemeltje schudt plotseling heftig heen en weer en we vallen bij de overbuurvrouw op schoot. Ze foetert ons uit in rap Frans. We schieten in de lach, wat haar alleen maar bozer maakt, maar we kunnen niet meer stoppen en gieren het uit als twee gedrogeerde pubers. Bern veegt zijn wangen droog met de mouwen van mama’s jas. ‘Zo terug.’ Hij knijpt even in mijn been en glipt de coupé uit.

Met veel gepiep remt de trein. Het is bijna kwart voor elf, volgens het reisschema zouden we er moeten zijn, maar de trein is tot stilstand gekomen tussen de graanvelden. Een conducteur met walrussnor treedt de coupé binnen. Wat een waardeloze timing. Mijn hand gaat naar mijn kontzak. Leeg. Onmogelijk. Systematisch zoek ik mijn zakken af: alleen de envelop met de sleutel van Prins Hendrikstraat 21, verder niets. Ik kijk in mijn rugzak en onder de bank, wat nog een hele onderneming is aangezien de Franssprekende overbuurvrouw van geen wijken weet. Met een rood hoofd zoek ik in de prullenbak onder het tafeltje. Mandarijnenschillen en lege koffiebekertjes en geen portemonnee. Waar is Bern, verdomme? De trein is kort: drie wagons, geen wc. Alle coupés zijn overvol. Ik wurm me door het gangpad. Vier minuten voor elf, zeven minuten voor de complete verduistering. Buiten is het nog steeds licht. Ik worstel me naar het laatste balkon. Daar staat een deur open. Ik wil de trein uit, maar de walrus blokkeert de weg. Een stem over de intercom. Frein d’urgence betekent ‘noodrem’, toch?

Niemand mag de trein meer in of uit. Met een sissend geluid sluit de balkondeur. Ik sta met mijn neus tegen het raam van de deur geperst. De zon heeft de bewolking van zich afgeschud. Ellebogen van vreemden porren in mijn zij. Door mijn eclipsbril zie ik een stralend sikkeltje in een zee van blauw. Nog vier minuten. Het licht verandert, alsof vlak voor een groot onweer de laatste zonnestralen zich door een dikke laag bewolking heen dringen. Alles krijgt een gouden gloed. In de verte rent een klein figuurtje, het graan haast tot aan zijn middel. Zonlicht weerkaatst op de reflecterende strepen van mama’s ski-jack. Waar rent hij naartoe? Er is hier niets. Mijn ogen doen hun best om het steeds kleiner wordende poppetje niet uit het oog te verliezen. Als hij eindelijk over de heuvel verdwijnt, is het alsof hij nooit hier is geweest. Dan wordt alles stil. Nog een minuut. Ineens wordt in een paar seconden doorgespoeld naar de nacht. Een zwerm van duizenden zwaluwen maakt figuren tegen de steeds donker wordende hemel. Ze duikelen en buitelen over elkaar heen zonder een enkele keer te botsen.