Korte gouden, lange zwarte kinderjaren

Renate Rubinstein

Charlotte Goulmy

Het is 1929: Berlijn is het epicentrum van de wereld, Thomas Mann krijgt de Nobelprijs voor de Literatuur, de Eerste Wereldoorlog lijkt voor velen een afgesloten hoofdstuk, het is een tijd van wederopbouw, van groei, van losbandige kunst en theater – Marlene Dietrich speelt binnenkort Lola in Der blaue Engel – en op de valreep van wat we tegenwoordig de Goldene Zwanziger, The Roaring Twenties of mooier Les Années Folles noemen, wordt op 16 november in de Duitse hoofdstad Renate Ida Rubinstein geboren.

Berlijn lijkt een veilige plek voor een jong, joods, gelukkig en welvarend gezin. Renates vader, directeur van een damesmantelfabriek, is een man met aanzien die zich verplaatst in een dure auto met chauffeur. Alfred Friedrich Wilhelm ‘Willy’ Rubinstein was als eerste van zijn joodse familie met een niet-joodse liefde thuisgekomen; de protestantse Johanna Marie Hamm.1 Ze was tot hun huwelijk in 1925 Alfreds secretaresse geweest. Op papier en voor de vorm moest ze zich bekeren om de goedkeuring weg te kunnen dragen van Renates orthodoxe grootouders.2 Dat was een klein offer: ze was verzot op haar man – zou dat altijd blijven.

In 1931, anderhalf jaar na Renate, wordt een tweeling geboren: broertje Günther en zusje Gerda. Het gezin krijgt een hond, Renate wordt verliefd op de knappe chauffeur van haar vader; ‘een grote man met krullen en een pet’.3 Verliefde ouders, een hond, een broertje en een zusje om de baas over te spelen én een chauffeur. Zo veel geluk leek de goden verzoeken.

Kort na de geboorte van de tweeling komen de nazi’s aan de macht. Vader Rubinstein doorziet al vroeg het gevaar en als Renate vijf jaar oud is, verlaat het gezin Berlijn4 en vlucht via Zwitserland naar Amsterdam. Hier wonen de Rubinsteins vanaf 30 januari 1935 aan de chique Minervalaan,5 eerst op nummer drieënzeventig met de familie Boschwitz, al snel in een eigen appartement op nummer drieënveertig. Renate gaat in de buurt naar de kleuterschool en leert daar als enige van het gezin al wat Nederlands, maar kan zich daar later niets van herinneren.

Wanneer het gezin vervolgens door vlucht naar Engeland, is Renate zeven jaar oud. Over het jaar in Barnet, een wijk boven Londen, heeft ze een handjevol schoolherinneringen gedeeld. Zo speelde ze in het schooltoneelstuk van Alice in Wonderland én werd ze verliefd op een klasgenootje. Renate wilde later met hem trouwen, maar dat voornemen wordt door haar moeder in de kiem gesmoord:

Maar dat er nog andere vervelende consequenties aan een meisje zijn zaten dan een beperkte beroepskeuze, begon ik te vermoeden toen ik mijn moeder eens met enthousiasme vertelde over een jongetje dat ik zo aardig vond dat ik hem als ik groot was, zou vragen om met mij te trouwen. ‘Dat mag je helemaal niet, meisjes moeten afwachten tot een jongen ze vraagt,’ zei ze natuurlijk. Ik vond dat een noodlottig vooruitzicht, maar weet achteraf niet wat me nog het meeste trof, de noodzaak van schaapachtig wachten, of – we woonden toen in Engeland en dit werd mij in het Engels verteld – dat ik ten slotte iemands ‘wife’ zou worden. Een wijf, wat een rot idee om een wijf te worden.6

Nu en dan gingen Renate en haar vader naar de bioscoop om Shirley Temple-films te kijken. Haar vader had daar alle tijd voor, want net als in Nederland een jaar eerder, kwam ook in Engeland zijn loopbaan niet van de grond.

In maart 1938 keert het gezin terug naar Nederland. Renates vader wilde, in navolging van zijn broer, vluchten naar de Verenigde Staten, maar haar moeder had heimwee naar Berlijn. Amerika vond ze bovendien maar griezelig én Berlijn was naar haar idee veel chiquer. Ze had hun jaar in Nederland ‘leuk’ gevonden, dus dat wordt de tussenoplossing. Renate heeft haar moeder dat nooit vergeven, ze heeft altijd gedacht dat als ze ook joodse was geweest, ze wél mee naar Amerika was gegaan. Niet alleen is dat grief tekenend voor de moeder-dochterrelatie, maar ook voor Renates allesverzengende liefde voor haar vader; ze had het hém natuurlijk ook kunnen verwijten dat hij, die bijtijds de dreiging van de nazi’s vaststelde, desondanks het gezin richting het gevaar liet verhuizen.

De drie (zeer) jonge kinderen worden in maart 1938 vooruitgestuurd naar twee joodse families in Nederland, zodat hun ouders de verhuizing terug naar Amsterdam kunnen regelen. Renate moet twee weken naar een Amsterdams gastgezin waar ze niemand kent. Ze is er doodongelukkig en heeft heimwee – zelfs naar haar moeder.

Het nieuwe Amsterdamse appartement van de familie Rubinstein is niet in het deftige Oud-Zuid, maar in de volksere Rivierenbuurt, aan de rand van de stad. Wielingenstraat nummer vier, driehoog. Het gezin had geen vrienden, geen familie en ontbeerde een sociaal vangnet. Niet omdat Renate en haar familie deels – of zoals haar vader volledig – joods waren, maar omdat ze Duits waren. Duitse joden vonden nauwelijks gehoor bij de Nederlandse, die hun onheilspellende verhalen niet geloofden en weinig begrip toonden voor hun angsten, situatie en voorspellingen, onder het mom van ‘met zo’n vaart zou het allemaal heus niet lopen’.

Bliksemsnel pasten de kinderen zich aan. Günther werd voortaan Jan genoemd (handiger als je wilde meespelen) en ze volgen twee maanden een overgangscursus op de Dongeschool, waar veel joodse vluchtelingen les krijgen. Renate dacht dat het allemaal gewoon Duitse kinderen waren die Nederlands moesten leren, het joodse aspect van de situatie zou ze pas veel later begrijpen.

In 1939 luistert Renate samen met haar vader naar de oorlogsverklaring op de radio:

Het moet op een avond geweest zijn, het was op de radio, ik luisterde ernaar met mijn vader, het was een plechtig en intiem moment. (Ik zat niet op zijn arm, want ik was al achter in de negen.) Niet zo feestelijk en met klaroengeschal als het woord ‘oorlogsverklaring’ suggereert, het was niets dan een feitelijke constatering dat Engeland zich nu dus in oorlog bevond met Herr Hitlers Duitsland. Het werd met leedwezen geconstateerd, in elk geval was het een droevig moment, al vergat ik het gauw weer want Nederland was nog niet in oorlog en wij gingen gewoon naar school.7

Wanneer school later de deuren sluit en de kinderen naar huis worden gestuurd vanwege de mobilisatie, huppelt Renate vrolijk naar huis: vrij! Bovendien, haar moeder had ooit de Eerste Wereldoorlog overleefd, dus hoe gevaarlijk kon het nou echt worden?

Op de kille zomerochtend van 10 juli 1940 wordt Renates vader onder de ogen van zijn drie kinderen van huis gehaald door twee Duitsers in uniform. Ze zeiden: ‘Der Vater kommt bald wieder nach Hause.’8 Hij wilde nog via het balkon vluchten, maar daarvoor was het te laat.

Naar verluidt werd Renates vader opgepakt vanwege deviezensmokkel, maar dat lijkt me onwaarschijnlijk. Op 30 januari 1935 had hij bij inschrijving in Nederland keurig aangegeven dat hij minstens 150.000 D-Marken inbracht en aangegeven dat dit niet bekend mocht worden. Je bent als gezin kwetsbaar wanneer je met zo veel geld vlucht. Bovendien wilde hij in Nederland blijven zonder aan te worden gemerkt als armlastig. Dit was een rijk man: dit was geen verzoek om bed en brood. Daarnaast, Renates moeder heeft pas in april 1954 bijstand aangevraagd, dus ik denk dat de Duitsers niet eens naar dat geld hebben gezocht tijdens de arrestatie. Toen hij in juli 1940 werd opgepakt, was die som waarschijnlijk wel al flink geslonken gezien hun vele verhuizingen: van de Minervalaan 73 naar nummer 43, toen naar Woodlands in Barnet, tijdelijk naar de Cliostraat en uiteindelijk naar de Wielingenstraat. Daarbij runde hij een slecht draaiend bedrijf in confectie.9

Renate was tien jaar toen haar vader werd opgepakt. Ze gilde ‘De wereld doet niets!’10 en dat gevoel van machteloosheid heeft haar verdere leven gedomineerd. Het gezin mocht hem één keer kort bezoeken in de gevangenis, maar toen ze voor de tweede keer kwamen, was hij al weggehaald. Dit vertelt buurmeisje en hartsvriendin, Mary Noordanus jaren later aan Bibeb:

We hebben er nooit over gepraat en hadden sinds de bevrijding geen enkel contact meer. We waren bevriend. Trokken samen op. Ik vond haar erg lief. Onze kamers grensden aan elkaar en door een vluchtgat in de kast kon mijn vader in het huis van Renate komen. ’s Avonds, in bed, haalden wij het luik eruit en, met de kop in de kast, hadden we eindeloze gesprekken. Ja, háár vader was al meteen door de nazi’s gehaald. Later kwam er bericht dat ze hem op een bepaalde dag in de gevangenis mochten opzoeken. Ze gingen erheen en kregen toestemming voor nog een keer. Kort nadat ze toen naar hem toe waren met zelfgemaakte appelkoek was Renate terug. Ze kwam bij ons, ze zei: ‘Hij is weg.’11

Vanuit de Wuppertal-gevangenis kwam iedere week een brief, waarvan de onderste regels waren gereserveerd voor Renate. Vrijwel al die brieven heeft haar moeder verbrand, tot groot verdriet van Renate – wéér iets wat ze haar moeder nooit zou vergeven.12

Volgens de regels was Renate ‘half joods’ – ook wel ‘een vader-jood’ genoemd –, dus om het nogal cru te stellen: niet joods genoeg om te vermoorden. Of zoals ze zelf zei: ‘Het had er natuurlijk nog van kunnen komen, maar het is er niet van gekomen, vandaar dat ik het u melden kan.’13 Wel leek ze ‘joods’ en haar achternaam klonk ‘joods’. Voor de buitenwereld gold ze dus als joods en door de oorlog werd ze nóg weer een stuk joodser. Joods is aldus – tegen wil en dank – haar identiteit geworden.

Ironisch is dat Renate haar leven heeft te danken aan haar niet-joodse moeder, waar ze zo weinig affiniteit mee voelde. Tegen Ischa Meijer zegt ze dat ze best Hannah Arendt14 als moeder had gewild. Dat is een verstrekkende opmerking, al was het maar omdat Arendt volgens de regels van de kunst wél joodse was, wat de overlevingskansen van Renate een stuk beroerder had gemaakt.

Al het verdriet over haar vader, alle angsten, stress en spanningen die gepaard gaan met leven onder een bezetting, konden haar puberteit geen halt toeroepen. Ze werd verliefd op de zestienjarige Kurt, die meer interesse toonde in Renates twee jaar oudere boezemvriendin Mary. Maar ook Kurt werd gedeporteerd. Joodse mannen waren vanaf dat moment geen optie meer voor Renate: voor je het weet, worden ze opgepakt en afgevoerd. (Dat ze daarna ook werden vermoord, wist ze nog niet.)

Hoe tegenstrijdig het ook klinkt: haar behoefte áltijd verliefd te blijven, valt te herleiden tot haar weggerukte vader. Voor de rest van haar leven heeft Renate geborgenheid nodig als zuurstof; iemand die aan háár denkt, iemand die om háár geeft, iemand die háár als lieveling beschouwt, zoals ze ook – voor haar gevoel in ieder geval – de lieveling was van haar vader. Als ze die geborgenheid in de liefde heeft gevonden, gaat ze de relatie testen, wil ze kijken hoever ze kan gaan voor ook hij haar verlaat. Het resultaat van die cyclus was een kwelling, want zoals ze Ischa Meijer uitlegt: ‘Elk verdriet maakt vorige verdrieten los.’15 Iedere vertrekkende liefde scheurt aldus de wond weer open.

Rust vindt ze nooit, ze verkeert sinds het verlies van haar vader in quasi-permanente staat van recalcitrante afhankelijkheid. Ze heeft freewheelende emoties en bestempelt zichzelf jaren later als ‘cyclisch’, tegenwoordig heet dat een cyclothyme stoornis, een soort lichte variant van een bipolaire. Verder lijdt ze aan stadsneurose of dorpsvervreemding, maar dat heeft iedereen: dat is de behoefte aan natuur.

Moeder weet het gezin draaiende te houden, verpatst haar sieraden, een deel van het tafelzilver en de verrekijker van haar man. In 1941 koopt ze een ambtenaar om die het bevolkingsregister vervalst:

Ik herinnerde me plotseling dat mijn moeder op een dag naar het bevolkingsregister was gegaan en vertelde dat ze gelukkig een ‘goeie’ had aangetroffen. Die ‘goeie’ had mijn moeder plus de kinderen als Nederduits Hervormd ingeboekt, terwijl we eerst, net zoals mijn vader, Israëliet waren. Dat kostte voor haar ‘slechts’ vierhonderd gulden en voor de kinderen driehonderd.16

Ze worden zelfs gedoopt. Een dominee op huisbezoek geeft de kinderen een kinderbijbel. Renate slaat fanatiek aan het bidden, doet haar religieuze best het opperwezen ertoe te bewegen haar vader uit de gevangenis te laten. Haar moeder spot met haar vroomheid en haar broertje en zusje bidden alleen maar mee omdat Renate het van hen eist. Ze hoopte dat God haar vader wel terug zou brengen, als zij zich maar hard genoeg zou vervelen in de kerk. Na een paar jaar laat ze die hoop varen: ‘Wanhoop en hoop liggen dicht bij elkaar. In ieder geval zijn het beide gruwelijke dingen, waar je beter niet mee te maken kunt krijgen.’17

Na een overgangscursus van twee maanden mogen de kinderen Rubinstein naar de reguliere klassen van de Dongeschool:

Gelukkig bestond er nog niemand die van dat leren moeilijkheden verwachtte en dubbel gelukkig was er ook niemand die ons verwees naar onze taal van herkomst. In die tijd zou men dat, geloof ik, onbeschaafd gevonden hebben. Ik geloof niet dat een van ons het leren ooit lastig vond doordat ze thuis geen Nederlands praatten. Maar navragen kan ik het niet want de meeste van die kinderen hebben de oorlog niet overleefd. Ook de juf van de derde overleefde niet want was joods. (In de vierde kregen we meneer Zandvoort en bij hem mocht ik ook voorlezen uit Fulco, de minstreel. Ik was daar ontzettend trots op, reden waarom ik het hier opschrijf, want met mijn verhaal heeft het niets te maken.)18

Meneer Zandvoort laat gelukkig niet merken dat hij vreest dat er van Renate maar weinig terecht gaat komen, want in mei 1942, bijna twee jaar na haar vaders deportatie, mag Renate naar het Vossius gymnasium. Ze wordt dithyrambisch aangeprezen bij de overdracht.

Die lof is gerechtvaardigd, want ze gaat een jaar later cum laude over naar twee-gym. Ze schrijft voor Vossius’ schoolkrant Vulpes op 16 juni 1943 een verhaaltje over ‘Liesje, Loes en Lotje’.19 Renate is dertien, het is midden in de oorlog en: ze schrijft! Tegelijkertijd valt het niemand op dat ze kampt – twee jaar lang – met een zware depressie. Ze verbergt dat vakkundig onder constant geflirt. Ze heeft een schelle stem en fladdert constant met te dunne en lange armen en benen. Depressie ten spijt, ze was op school uitbundig en levendig op het gênante af. Thuis maakt ze daarentegen veel ruzie en huilt ze voortdurend, vanwege haar vader, maar ook omdat ze vaak verliefd is op jongens die niet eens weten dat ze bestaat.

Tabe Bas, later een bekende acteur en zanger, maakte een eind aan haar depressies als ze vijftien is. Als eerste wederzijdse flirt probeert hij haar ook duidelijk te maken dat ze mooi is – tevergeefs, want dat beseft ze pas vele jaren later. Ze flikflooien op de kamer van Mary Noordanus en hij krijgt vreselijk op z’n falie omdat hij de pick-up vergeet uit te zetten, waardoor de in oorlogstijd spaarzame naald versleet. Wat ze precies deden op de kamer van Mary is niet nader gespecificeerd, maar het bidden stopt waar Tabe begint. Toen ik hem sprak in 2004 vertelde hij vertederd dat hij Renate ‘De Bende van één’ noemde.

In het laatste oorlogsjaar komt er een Duits meisje op school, dat vertelt dat haar vader een lange rij joden heeft gezien die hem vertelden dat ze hun eigen graf moesten graven. Dit was voor Renate de eerste concrete aanwijzing dat haar vader misschien wel helemaal nooit meer thuis zou komen.20 Huilend loopt ze naar huis. Ze besluit het verhaal niet aan haar moeder te vertellen. De piepjonge Renate voelt zich haar moeders hoeder, neemt haar rol als oudste dochter serieus. Ze denkt, ongetwijfeld onterecht, dat ze over meer informatie beschikt dan haar moeder. Mogelijk namen beide vrouwen elkaar gewoon niet serieus. Renate vond haar ongeschikt als gezinshoofd en moeder vond dat haar dochter braaf moest luisteren en zichzelf vooral niet moest zien als een gelijkwaardige gesprekspartner. Kinderen niet belasten met problemen van volwassenen is een respectabel standpunt, maar in hoeverre is dat houdbaar in oorlogstijd als je vader is gedeporteerd?

Niemand troost Renate. Haar moeder had weinig soelaas te bieden, ze vroeg niet door, keek de andere kant op. Ik snap dat wel. Zij wist als geen ander dat Renate zich niet zou laten troosten door degene die ze verantwoordelijk hield voor haar verdriet.

Renate staat in overlevingsstand sinds haar vader is weggehaald. Het is dankzij die oerkracht dat ze blijft staan, hoe gek ze ook zou willen worden, hoe hard ze ook door zou willen draaien, hoe vast ze ook gehouden had moeten worden, Renate blijft overeind en blijft dat een heel leven doen, met knikkende knieën, desnoods met een karretje en als ze ook dat niet meer kan, dan pas gaat ze dood.

Tijdens de Oorlogswinter raakt het gezin ondervoed. Twintigduizend Nederlanders sterven van de honger ‘en de rest had ook honger’, zou Renate later vertellen in haar 5 mei-lezing ‘Pleidooi voor de Bevrijdingsdag’. Het was steenkoud in huis en iedereen sliep met elkaar op één kamer, Renate naast haar moeder in het grote bed, op de plek van haar vader. Dit vertelt haar zus Gerda jaren later:

Doordenken was een enorm talent van Renate: waarom is dit de situatie en wat moet er nu gebeuren? Ik herinner mij de Hongerwinter, het is koud, en wij, mijn moeder, Renate en ik, slapen op één kamer. Mijn zuster naast mijn moeder in het grote bed en ik in zo’n klein bedje ernaast.

In het midden van de nacht staat Renate op om naar de wc te gaan, maar valt flauw. Dat gebeurde wel vaker, ze was in de opgroeiende leeftijd en we waren allemaal ondervoed. Mijn moeder trekt haar het bed weer in en Renate vraagt om een glas water. ‘Ik kan het bed niet uit,’ zegt mijn moeder, ‘ik voel me zo vreemd.’

Renate zegt: ‘Dat is gas,’ voor het eerst was het gas weer aangesloten en mijn moeder had een grote teil met kleren opgezet om uit te koken. Kennelijk was het gas weer even afgesloten geweest en toen weer aangesloten. Zo was Renate: ik ben wel vaker flauwgevallen, maar als mijn moeder flauwvalt, moet er iets mis zijn.21

Rond die periode gaat Renate met Mary en mevrouw Noordanus op hongertocht, op de fiets naar Oost-Nederland. In 2005 heb ik Renates schoolgenootjes Noni en Cieltje Lichtveld gesproken en brieven gekregen van Renate aan Noni uit die tijd. In een daarvan beschrijft Renate de tiendaagse hongertocht naar Diepenheim en vertelt ze over de dood van hun klasgenootje: Isolde ging naar Hoorn om te eten, maar stierf in het ziekenhuis.

Renates tocht was een succes; ondanks dertien lekke banden en drie doorgezakte velgen, kwam het gezelschap terug met dertig pond rogge, zestig eieren en een paar pond spek. Ze hadden ongeveer 120 kilometer van de tocht te voet moeten afleggen. Renate had door de tocht veel school gemist, waarschijnlijk vond ze dat wel prima. Alles liever dan school. Alles: de hongertocht lijkt ze als minder traumatisch te ervaren dan de schoolbanken.

Van de Bevrijdingsdag kan Renate zich maar weinig herinneren. Ze was vijftien en de hele oorlog was voor haar een periode geweest van wachten op haar vader. Op 5 mei was hij nog niet thuisgekomen, maar dat leek normaal, hij had ongetwijfeld nog een lange reis voor de boeg. Alle feesten, vlaggen en Canadezen gingen volkomen langs haar heen. Een volop puberende Renate die een heel regiment beeldschone Canadezen niet ziet staan, vormt het overtuigendste bewijs dat haar leven op pauzestand stond. Renate blijft nog vele jaren wachten. In dat opzicht is de oorlog voor haar nooit afgelopen. Deze tragedie heeft haar hele leven bepaald, uiteindelijk komt alles altijd als een boemerang terug bij haar vader. Ze bleef voor altijd zijn vaderskindje.

Vlak na de bevrijding werden meisjes op straat kaalgeschoren, omdat ze met Duitsers hadden verkeerd. Renate lag daar wakker van: had haar niet hetzelfde kunnen overkomen? Wat als ze verliefd was geworden op een Duitser? ‘Hoe kun je zeker weten wat goed is en wat kwaad?’22 Want: ‘Als ik blond en blauwogig geboren was, in Duitsland, uit blonde en blauwogige ouders, zou ik fout geweest zijn.’23 Die ene vraag is wellicht de sleutel tot haar werk.

Haar vader is nooit teruggekeerd uit Auschwitz. Hij was vijfenveertig toen hij in 1942 werd vergast. Het gezin kreeg daarover een brief van het Rode Kruis in augustus 1945, toen Renate al bijna zestien was. Aangezien haar vader niet was begraven of gecremeerd, duurde het heel lang voordat ze daadwerkelijk besefte dat hij was vermoord. Zeker tot haar zesendertigste bleef Renate denken dat ze hem nog ergens zou kunnen vinden.

Moeder en dochter leefden in onderkoelde detente, ze ‘tolereerden’ elkaar, maar veel dieper leek hun band niet te gaan. Emblematisch voor de kloof tussen hen beiden is een gebeurtenis die psychiater Dries van Dantzig deelt in Renate, Herinneringen van vrienden:24

Op een avond zei Renate opeens, midden in een gesprek over iets anders: ‘Ik ben niet aardig.’ Ik vond dat niet, maar vond het ook niet helemaal onzin. ‘Hoezo?’ vroeg ik dus. ‘Als kind was ik al niet aardig.’ Ze keek er heel nadenkend bij. ‘Waar bleek dat dan uit?’ vroeg ik nieuwsgierig.

En ze vertelde het volgende: ‘Het was op de dag dat mijn vader was weggehaald. We stonden met zijn allen in de keuken, ik keek naar mijn moeder. Die zag er heel verdrietig uit. Ik wilde haar troosten, maar wist niet wat ik zeggen moest. We hadden net een koek gekregen, van het soort dat ik het lekkerst vond, en die brak ik toen in tweeën, en gaf haar een helft. Maar ze nam hem niet aan, en zei: ‘Hoe kun je nou zoiets doen op zo’n moment.’ Ik schaamde me dood, het was natuurlijk ook heel ongevoelig.’

Ze meende het. Ik vond het uiteraard een hartverscheurend verhaal en zei haar dat. ‘Vind je dat nou? Nee, ik vind dat mijn moeder gelijk had, wie geeft er nou een koekje bij zoiets vreselijks.’ Ze was niet te overtuigen.

Lang heeft Renate gevoeld dat haar moeder gelijk had, dat ze inderdaad een lastpak was, een ongehoorzaam, ongezellig, vervelend, nerveus en ronduit ongeschikt kind, allesbehalve een aanwinst (‘mijn moeder […] moet […] van mij gedacht hebben dat ik als een soort vondeling in haar buik geschoven en er weer uitgegleden was’.25). Ze werd daar onzeker en eenzaam van en voelde zich tegelijk schuldig en verantwoordelijk voor alles wat misging. Van iedere confrontatie met onrecht en misverstand krijgt ze een enorme optater. Stress geeft haar buikpijn, waardoor ze veel ziek was, veel zorg behoefde. Tot haar zesde moest ze tussen de middag nog slapen. Geen wonder dat ze ’s nachts niet kon slapen.

Vrienden die destijds over de vloer kwamen, schetsen een ander beeld. Die hebben het over een degelijke moeder die alles deed voor haar kinderen, die een huis runde waar de jeugd graag kwam. Renates jeugdvrienden die ik sprak in de loop der jaren, leken de kilte tussen moeder en dochter niet te hebben gevoeld, niet te herkennen, Renate benoemde het ook nooit, dus toen haar vrienden later ‘Niet de woorden maar de stem’26 lazen, waren ze hoogst verbaasd.

Haar moeders kritiek wordt de spiegel voor Renates zelfbeeld. ‘[Haar] grondhouding was die van een kind dat stout gevonden werd, dat ze vast op haar kop zou krijgen.’27 Zo verweet haar moeder Renate dat ze leek op tante Irene, de schizofrene zus van haar man die later ook vergast bleek in de kampen. (Ja, zulke opmerkingen maken een kind onzeker: daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben.)

De kille band met haar moeder was een tragedie in het kwadraat. Moeder en dochter hebben elkaar veelvuldig en vaak onherstelbaar op de zenuwen gewerkt. Het maakte Renate kwetsbaar en bezorgde haar een minderwaardigheidscomplex. Toch had ze ontzag voor haar moeder en haar geruststellende zelfbeheersing. Ze was bang voor en trots op haar moeder, die toch maar mooi drie kinderen gezond door de oorlog had gesleept en had gevoed, ook als ze zelf niets te eten had. Renate kreeg zelfs meer te eten dan de andere kinderen omdat ze harder groeide. Haar moeder naaide daarnaast jurken voor haar die zo mooi waren, dat ‘als zij door de Leidsestraat liep zelfs de honden stilstonden’.28 Een moeder die kleding maakt voor haar kinderen kan dat uit louter economische motieven doen, maar uit zuinigheid en liefdeloosheid is nog nooit een mooie jurk voortgekomen.

Renate kon beslist niet leren als ze verliefd was en verliefd was ze altijd. Het is dan ook opmerkelijk dat uitgerekend Renate in januari 1945 werd benoemd tot abactis van de leerlingenraad. Ze was een onmogelijke leerling, ze wilde zich wel gedragen, maar het lukte gewoonweg niet – van propjes schieten en vechten met jongens tot oeverloos kletsen, Renate was ongedisciplineerd en constant afgeleid, waarvoor ze zich overigens wel schaamde. Aan de andere kant, hoe belangrijk is school als je vader nog steeds niet is thuisgekomen?

Als ze zestien is, blijft Renate zitten in de vierde klas. Ook haar tweede jaar in de vierde is geen succes, uiteindelijk mag ze met een hertentamen naar de vijfde. Ze is achttien en helemaal klaar met wachten en zich kapot vervelen. Eigenlijk getuigt het van een wonderbaarlijke discipline dat ze überhaupt is overgegaan van vier- naar vijf-gym. In haar hoofd worden die twee jaar geblokkeerd: als ze het over het Vossius had, hanteerde ze consequent de datering 1941 tot en met 1947, terwijl ze daar schoolging van 1942 tot en met 1948.

Renate dacht dat ze louter succes kon behalen met haar hersenen, helaas was haar beste vak spijbelen. Alleen geschiedenis en Nederlands vond ze wel leuk. Ze heeft nog samen met een jongen uit de klas de schoolclub AVC opgericht, de Anti Vervelings Campagne,29 maar het mocht niet baten, het enige wat tegen school hielp, was eraf gaan. Dat doet ze snel nadat ze – met de moed der wanhoop – is overgegaan naar de zesde klas. Ze stopt in haar examenjaar ‘want ik was verliefd geworden en ontmaagd en dacht: dan kun je toch niet meer op school blijven zitten’.30

Als haar docenten even hadden nagedacht, hadden ze Renate niet laten doubleren in de vierde. Iedereen kon zich bedenken dat ze zich dan nog stierlijker zou vervelen. Ze was evident hoogst intelligent maar simpelweg te getraumatiseerd om haar school af te maken. Zodoende werd haar schoolloopbaan een volgende pijnlijke herinnering: ‘Ik wil geen schoolherinneringen, ik ben goddank alles vergeten, ik ben volwassen en niemand heeft meer de macht om mij aan zijn onmenselijke verveling te onderwerpen.’31

Renate verlaat het Vossius en in dezelfde beweging haar moeder in november 1948 – ze is nét negentien of nét nog niet. Ze wordt de jongste bediende op de Amsterdamse Uitgeverij Van Oorschot, gaat op kamers en eet alleen nog maar wat ze lekker vindt: toffees en pindakaas. Zoals ze later zou zeggen: ‘Het leven is zo inconsideraat dat je net zo goed optimist kunt zijn: heb je meer plezier ook.’32

Nota bene: dit essay is geen onderdeel van een officiële biografie van Renate Rubinstein. Het is dan ook gebaseerd op openbare en andere met toestemming verkregen bronnen. De officiële biografie wordt geschreven door Hans Goedkoop voor uitgeverij Atlas Contact.


NOTEN


1 Dochter van Richard Hamm en Marie Henop-Hamm.

2 Zoon van Benno Rubinstein en Ida Rubinstein-Sonnenfeld.

3 Renate Rubinstein, ‘Androgynie’, 3 oktober 1981, Vrij Nederland.

4 Meranerstraße 12.

5 Hun oude appartement aan de Minervalaan kost tegenwoordig ongeveer 1.200.000 euro.

6 Renate Rubinstein ‘Onzichtbaar worden’, 21 oktober 1961, Vrij Nederland.

7 Renate Rubinstein ‘Chamberlain’, 8 oktober 1988, Vrij Nederland.

8 Renate Rubinstein, ‘Niet de woorden maar de stem’, Tirade (1965).

9 N.V. W. Rubinstein, eerst Prinsengracht 101, later als Ingenia, Leliegracht 12.

10 Dit vertelde ze aan Jan Zandbergen. Eind jaren tachtig kwam hij af en toe langs.

11 Mary Noordanus in gesprek met Bibeb, 16 augustus 1975, Vrij Nederland.

12 Ischa Meijer, Markant, 20 maart 1990, rond 10 minuten.

13 Renate Rubinstein ‘Croiset en Fassbinder’, 16 januari 1988, Vrij Nederland.

14 Ze heeft Hannah Arendt twee keer ontmoet. Arendt heeft Renate zelfs een keer thuis bezocht, vertelde ze trots aan Jan Brokken, 30 november 1985, Haagse Post.

15 In gesprek met Ischa Meijer, 21 augustus 1982, zi in de zomer (vara-radio).

16 In gesprek met Jan Brokken, 30 november 1985, Haagse Post. Overigens, dat Renates moeder die sommen op tafel kon leggen, is evengoed een indicatie dat de familie financieel niets te kort kwam, wat weer valt op te voeren als bewijs dat de aanklacht van deviezensmokkel uit de lucht was gegrepen.

17 In gesprek met Jan Brokken, 30 november 1985, Haagse Post.

18 Renate Rubinstein, ‘Overgangscursus’, 10 februari 1990, Vrij Nederland.

19 Renate Rubinstein, ‘Liesje, Loes en Lotje’, 16 juni 1943, Vulpes.

20 Renate Rubinstein, ‘Niet de woorden maar de stem’, Tirade 9 (1965).

21 Interview met Gerda Rubinstein, 9 juli 1993, Libelle.

22 Renate Rubinstein ‘Oerervaring’, 23 augustus 1975, Vrij Nederland.

24 Renate Rubinstein, ‘Tolstoj had toch gelijk’, 18 juni 1987, Vrij Nederland.

24 Renate. Herinneringen van vrienden, red. Joop en Maria Goudsblom, Aad Nuis, Tilly Hermans, Laurens van Krevelen e.a. (Amsterdam; Meulenhoff, 1992).

25 Renate Rubinstein, ‘Heimwee’, Niets te verliezen en toch bang (Amsterdam; Meulenhoff).

26 Renate Rubinstein, ‘Niet de woorden maar de stem’, Tirade (1965).

27 In gesprek met Ischa Meijer, Markant, 20 maart 1990 (nos).

28 In gesprek met Richter Roegholt, 11 maart 2004.

29 Renate Rubinstein, ‘Mijn schooltijd’, 6 augustus 1983, Vrij Nederland.

30 In gesprek met Ischa Meijer, 8 november 1975, Haagse Post.

31 Renate Rubinstein, ‘Mijn schooltijd’, 6 augustus 1983, Vrij Nederland.

32 Renate Rubinstein, ‘Alleen op de wereld’, Niets te verliezen en toch bang (Amsterdam; Meulenhoff).