Sportschool voor de geest

Natalie Koch

Het is een intrigerend boek in de collectie van de Embassy of the Free Mind. Van buiten ziet het er niet heel spectaculair uit. En ook diagrammen met geometrische figuren kom je op onze planken vaker tegen. Maar dan stuit je op een pagina met drie precies in elkaar passende cirkels, die elk in de rand de letters B, C, D, E, F, G, H, I en K hebben. De grootste cirkel is op de pagina gedrukt, maar de twee daarbinnenin zijn volvelles die onafhankelijk van elkaar kunnen draaien. Het is een druk uit 1517 van Ars magna, generalis et ultima van de geleerde en filosoof Ramon Llull (1232/33-1315/16) en deze wielenconstructie lijkt bijna een middeleeuwse voorloper van de Enigma-machine. Maar de titel van het boek wijst er al op dat het meer is dan een coderingssysteem: we hebben hier te maken met een ‘grote kunst’, ook bekend als de Lulliaanse Kunst.

Al zolang mensen kunnen denken, heeft het denkvermogen, het geheugen, de mens gefascineerd. Simonides van Keos (556-468 v. Chr) wordt gezien als de grondlegger van de geheugenkunst. Het verhaal gaat dat hij bij een diner was uitgenodigd om een lofdicht op de gastheer voor te dragen. Net op het moment dat hij even de feestzaal uit is, stort die in en raken alle feestgangers bedolven onder het puin en onherkenbaar verminkt. Dankzij zijn vermogen om zich precies te kunnen herinneren wie waar aan tafel heeft gezeten, kan Simonides de nabestaanden aanwijzen welke dode hun toebehoort. Die geheugenprestatie was het startschot voor een traditie die tot diep in de renaissance standhield: het ontwerpen van een geheugenpaleis, een imaginaire ruimte met verschillende kamers waarin voorwerpen worden geplaatst waaraan associaties worden gekoppeld. In een tijd dat het geschreven woord nog papyrus, potscherven of wastafeltjes als drager had, was zo’n artificieel geheugen meer dan een imponerende party trick: een redenaar kon in gedachten een rondgang maken langs al die kamers en beelden om zijn redevoering in al haar details van begin tot eind zonder haperen af te steken.

Dat nam niet weg dat de techniek vanaf het begin ook kritiek oogstte: het creëren van denkbeeldige ruimtes en voorwerpen zou het voorstellingsvermogen nodeloos belasten. Domweg stampen was dan toch de beste methode om dingen uit het hoofd te leren. Het inzetten van de verbeeldingskracht kwam ook in de latere ontwikkelingen van de geheugenkunst regelmatig onder vuur te liggen; dat gezinneprikkel zou de mens weleens tot zondige gedachten kunnen verleiden…

Hand in hand met theorieën over hoe het geheugen te verbeteren gingen filosofieën over het geheugen, het denkvermogen zelf. Aristoteles maakte onderscheid tussen het geheugen (het onthouden) en het herinneringsvermogen/voorstellingsvermogen. Het eerste is het deel waar de geest zintuiglijke indrukken verwerkt en opslaat. Het voorstellingsvermogen behoort tot het rationele deel en maakt hogere denkprocessen mogelijk. Het eerste werkt ‘vanzelf’, het tweede, hogere deel, heeft training nodig om zaken te onthouden. En dat gaat om meer dan het onthouden van kale feiten; door je de juiste dingen in te prenten, kun je een wijs en deugdzaam mens worden. Dat voorstellingsvermogen, het vermogen tot herinneren, is wat de mens tot mens maakt, en moet dus worden gecultiveerd. Inzichten waar in de middeleeuwse scholastiek lustig op werd voortgeborduurd.

Elke nieuwe uitvinding op het gebied van externe kennisopslag zet de noodzaak het geheugen te trainen onder druk. In Plato’s Phaedrus vertelt Socrates hoe de Egyptische god Thoth het schrift uitvond. Toen hij zijn vondst presenteerde aan de toenmalige heerser over Egypte, Thamus, betreurde die de uitvinding, want het schrift zou gebruikers ertoe verleiden het geheugen te verwaarlozen. Daarom is het opvallend dat in een tijd dat de boekdrukkunst werd ontwikkeld de geheugenkunst een opleving doormaakte. Of misschien is dat minder verrassend dan het lijkt: in de renaissance kreeg de kunst een aspect dat het verzamelen van kennis ver oversteeg. De Lulliaanse Kunst is daar een voorbeeld van, al is het een a-typische vorm van geheugenkunst omdat bij Llull het creëren van denkbeeldige ruimtes en voorwerpen ontbreekt. Hij gaat uit van de kabbalistische gedachte dat de eigenschappen van God in wisselende combinaties in de schepping doorwerken, van de hoogste hemel tot de kleinste zandkorrel, en bepalend zijn voor de aard van alles: flora, fauna en mineraal. Elk van die eigenschappen koppelt hij aan een letter, en dan doet hij iets wat de geheugenkunst een nieuwe wending geeft. Hij plaatst ze op in elkaar passende, draaibare cirkels en maakt zo het systeem dynamisch. In plaats van een overzicht van statische kennis biedt zijn ‘kunst’ de mogelijkheid om combinaties te maken en zo de aard van de dingen dieper te doorschouwen dan in een statisch geheugenpaleis mogelijk is. De associatie met ai dringt zich op.

Een van de beroemdste geheugenbouwers van de zestiende eeuw is Giulio Camillo (1480-1544). Hij ontwikkelde geen geheugenpaleis, maar een geheugentheater (zijn boek L’idea del teatro is ook aanwezig in de EFM-collectie), gemodelleerd naar een Romeins amfitheater, waarvan de zitrijen vanaf de eerste rang tot helemaal bovenaan vol geplaatst zijn met beelden en symbolen die verwijzen naar zaken in de tastbare wereld. Zo wil hij de hele kosmos omvatten, of, zoals hij het zelf omschrijft: waar redenaars in de oudheid vergankelijke dingen (bijvoorbeeld de onderdelen van een redevoering) aan vergankelijke plaatsen toevertrouwden, wil hij de eeuwige dingen die ten grondslag liggen aan alles in de wereld toewijzen aan eeuwige plaatsen. Daarmee staat hij volop in de neoplatonistische traditie van de renaissance. Behalve kennis vergaren en ordenen streeft Camillo hier naar het vermogen de hele schepping vanaf de oorsprong te kunnen overzien.

Dat was ook de ambitie van de ex-dominicaan en hermetisch filosoof Giordano Bruno (1548-1600), ook goed vertegenwoordigd in de efm-collectie. Hij combineert de dynamiek van de Lulliaanse Kunst met het beeldenrijke overzichtswerk van Camillo en komt tot een bijna onbevattelijk groot, gedetailleerd geheugenwiel van concentrisch draaiende cirkels, vol symbolen en associaties die uiteenlopen van planeten tot planten en waarop ook menselijke uitvindingen en wetenschappen als geometrie, muziek, pottenbakken en gereedschap een plaats hebben, die in een onafzienbare hoeveelheid mogelijkheden met elkaar kunnen worden gecombineerd. Geïnspireerd door de aan Hermes Trismegistus toegeschreven traktaten die in de renaissance werden herontdekt, is hij ervan overtuigd dat de mens van oosprong goddelijk is en nog steeds een goddelijke kern in zich heeft. Zijn doel is de beoefenaar van zijn systeem in staat te stellen de ideeën achter de zichtbare werkelijkheid te ordenen en te overzien, de onzichtbare dwarsverbanden bloot te leggen en zo, als ware hij een god, door te dringen tot in de diepste essentie van alle dingen op aarde en ze te besturen (er zitten ook occulte kanten aan zijn systeem). Zo zou de mens die aan hem of haar toegedichte goddelijke vermogens weer in zich tot leven kunnen wekken. Verinnerlijkte kennis, wijsheid en inzicht zouden je dus godgelijk maken.

Als je weet dat de hersenstructuur van Londense taxichauffeurs al verandert door het zich eigen maken van ‘the Knowledge’, het complete stratenplan van Londen (overigens een van de zwaarste beroepsexamens ter wereld), dan kun je je afvragen hoe de hersenen van de mensen die met zoveel verbeeldingskracht paleizen vol architectonische details optrokken en volstouwden met markante en soms groteske beelden, eruitgezien moeten hebben.

Niemand heeft anno nu nog de ambitie alle kennis van de zichtbare en de onzichtbare wereld in het hoofd op te slaan. Het is te veel, te versnipperd, te specialistisch; onmogelijk om alles van alles te weten. Kennis is in de loop der eeuwen steeds verder geëxternaliseerd, in boeken, later digitaal, met als laatste loot aan de stam ai, die zoals bekend in een mum van tijd de feiten ophoest die de gebruiker van de Llulliaanse kunst zich met behulp van diagrammen en draaiende wielen eigen moest maken. Kennis valt dan in dezelfde categorie als boeken, films en muziek. Waar je vroeger een boek, cd of dvd kocht en in de kast zette, kun je het bezit nu uitbesteden aan een platform. Het heeft absoluut voordelen: de nieuwste inzichten direct onder je vingertoppen, al zal een basiskennis in het hoofd altijd wel nodig bijven om het weten te kunnen ordenen en het kaf van het koren te scheiden.

Natuurlijk, ook in de tijd dat de geheugenkunst floreerde, ging het merendeel van de mensen door de wereld zonder een kennispaleis in het hoofd. Een uitermate goed getraind geheugen was voor velen toen al geen noodzaak. Waarom zou je nu dan nog je hoofd vol willen stouwen met gangen, kamers en nissen en die barstensvol meubileren? Het hoofd zit tegenwoordig al zo vol. Als mensen nu ergens naar snakken, is het het hoofd leegmaken. Externe afleiding door een greep naar de smartphone ligt voor de hand, maar inmiddels is wel duidelijk dat die onderdeel is van het probleem.

Valt er dan niet toch wat op te steken van de geheugenkunst?

Een belangrijk bijproduct van geheugen­training waar je in de pleidooien voor het bouwen van geheugenpaleizen eigenlijk weinig over hoort, is de concentratie die het moet vereisen. Diepe concentratie is een zalige staat van zijn: het bloed ruist door je brein, besef van tijd en ruimte vervagen. In de beste momenten is het een staat van zelfverlies, extase, een mystieke ervaring zo je wilt. Een mentale runner’s high. Vóór de komst van gemotoriseerde en inspanningsondersteunende hulpmiddelen hoefde niemand naar de sportschool, want het dagelijks leven bood beweging genoeg. Misschien is een sportschool voor de geest niet eens zo’n gek idee. Op gezette tijden een ommetje door je hoofd: met aandacht nog een keer door de straten van je laatste vakantiebestemming lopen en de gevels in al hun details voor je zien, je dat gedicht dat je ooit uit je hoofd hebt geleerd nog eens voor de geest halen, in gedachten het uitzicht uit het slaapkamerraam van je ouderlijk huis proberen na te tekenen. De verbeeldingskracht van de luie bank schoppen. Ik denk even aan Isidorus van Rillington, de hoofdpersoon uit Jan van Akens roman De ommegang, die gedurende zijn leven een geheugenpaleis bouwt en daar regelmatig een ommegang door maakt. Dat vereist inspanning, maar dat geldt ook voor een rondje hardlopen.

De vraag is: overkomen herinneringen ons, of kunnen we ze actief vastleggen door als het ware geheugenfoto’s te maken? Een album op onze interne harde schijf om van tijd tot tijd door te bladeren? In plaats van tienduizend foto’s op je smartphone die je nooit meer bekijkt; extern opgeslagen herinneringen die op gegeven moment verdwijnen?

De geestelijke loopschoenen aan dus! Mentaal gewichtheffen. Het voordeel van die sportschool: je hoeft er de deur niet voor uit.