Ik ben jarig, laat maar.
Ik bedoel: ik hoef geen taart, geen geschenkjes, geen slingers, geen feestje, geen geforceerde jolijt, en zeker geen hysterische aandacht.
Ik heb geen vrienden meer, dus dat komt wel goed.
Gelukkig heb ik vandaag een lange werkdag: van 6u tot 16u.
Dat heb ik zo geregeld.
Het is nog donker, ik kijk naar een documentaire over The Clash.
Knap dat ze zo geëngageerd zijn, maar hun verbeten humorloze ernst ergert me.
Geef mij maar de mateloze chaotische komische kleurrijke branie van de Sex Pistols.
Ik schakel over naar een andere zender: To Catch a Thief, helaas gedubd in het Frans.
Cary Grant is onweerstaanbaar.
Toch zet ik de tv uit, ik kijk in de spiegel: mijn wenkbrauwen zijn te dun en mijn mond is een sneer.
Ik eet vijf zachte chocoladecakejes, ik heb ze gekocht in een supermarkt die veel goedkoper is dan degene waar ik werk.
Er zitten zes chocoladecakejes in het pak, dat is vervelend.
Als ik er vijf naar binnen zwelg ben ik verzadigd.
Ik verpulver het zesde chocoladecakeje: opluchting.
‘Er is een vrouw vermoord aan een gordijnenkoord/ Ik heb het zelf gezien, het was in kamer tien/ Het bloed liep van de trap, ’t leek haast tomatensap/ Haar hoofd lag in de pan, ik kreeg er honger van.’
Een liedje dat we zongen op de speelplaats van Immaculata, wij de kinderen van De Panne.
De oudere kinderen leerden het ons aan, en wij gaven het door aan de jongere kinderen.
Maar of het nu nog gezongen wordt op speelplaatsen, dat weet ik niet.
Mijn moeder heeft me gisteren al een verjaardagsgeschenk gegeven: een prachtige editie van Oorlog en vrede.
Het boek zou oorspronkelijk Eind goed, al goed heten.
Dan toch liever Oorlog en vrede.
Mijn moeder houdt van mij omdat ik boeken lees.
Dat is een uitstekende reden om iemand graag te zien.
Ik moet plots denken aan de rouwende bergbeklimmer: een krankzinnige man in Gent die je nooit mocht aanspreken.
Hij was volledig uitgedost als alpinist: kolossale schoenen met stijgijzers aan de zolen, een grote rugzak, lussen touw, een ingewikkelde klimgordel en een pikhouweel.
Een indrukwekkende verschijning.
Mijn moeder zei dat hij zijn vrouw en kind was kwijtgespeeld in een lawine, maar ze wist het niet zeker.
Pas nu, op mijn vijfentwintigste, kom ik erachter dat mijn moeder niet alles weet.
Een vervelende vaststelling.
Ik scheur een reclame van nachtcrème voor de rijpere huid uit een modetijdschrift dat ik heb verdonkeremaand uit de wachtzaal van mijn kribbige dermatoloog.
Ik maak voor de grap een kroon.
Wanneer ik de kroon op mijn hoofd zet stromen de tranen over mijn gezicht.
Vreemd, want echt verdrietig ben ik niet.
Dan verlaat ik mijn zolderkamer en neem ik mijn fiets.
Het vriest, niettemin kom ik voor de zoveelste keer de exhibitionist tegen in de Beukenboslaan.
Hij doet geen vlieg kwaad.
Hij maakt nooit oogcontact.
Hij is niet volledig naakt: hij draagt grijze sokken en witte sportschoenen.
In de kleedruimte van de sinistere supermarkt staan Diana en Kelly in hun prachtige lingerie kwaad te spreken over Monica van HR.
We hebben nauwelijks contact met de mensen van HR.
Monica heeft een drankprobleem.
Diana vindt het deerniswekkend, Kelly vindt het verwerpelijk.
De lingerie van Diana is gifgroen, die van Kelly is paars.
Omgekeerd was beter geweest.
Ik zeg: ‘Ik ben jarig vandaag.’
‘Dan moet je trakteren,’ zegt Kelly.
Kelly verlaat de kleedruimte.
Diana verwijdert haar sieraden: vier ringen, zes oorbellen en een bedelarmband.
Eén van de bedeltjes is een windmolen.
Diana vraagt niet: ‘Hou oud ben je geworden?’
Ik zeg tegen Diana: ‘Ik ben 25 geworden.’
‘Tof.’
Nu verlaat ook Diana de kleedruimte.
Mijn lingerie is zwart.
Mijn lingerie is in feite geen lingerie, slechts ondergoed.
Dan slof ik naar de zuivelafdeling, iedereen staat al in een kring rond Michel.
Michel wijst naar mij en zegt spottend: ‘Daar komt de sprankelende gelukzalige jarige! Hiep hiep hoera!’
Iedereen zwijgt.
Niemand maakt plaats voor mij, de kring blijft gesloten.
Michel deelt het werk uit: ‘Diana: diepvries zoals gewoonlijk. Annie: hesp, hesp, hesp. Rita: de pudding en de voorverpakte quiches, en de margarine als je nog tijd zou over hebben. Inge: de melk inventariseren. Jimmy: slagroom en chocomousse, daarna de geraspte kazen. De jarige Delphine tot slot: jij vliegt vandaag naar de visafdeling.’
‘De visafdeling???’
‘Ja, Chiara ligt in het ziekenhuis met een blindedarmontsteking.’
De visafdeling is echt niets voor mij: ijs, slijm, dode pladijzen, groteske zielloze verwijtende moten zalm, langoustines zonder ogen, griezelige tentakels, hondshaaien die je naar de keel vliegen, enzovoort…
Maar het ergst is nog wel de machine om de vis te fileren.
Als je het niet goed doet verlies je je vingers of wordt de dure vis die je moet ontgraten: moes, pulp, blubber, smurrie.
De chef van de visafdeling is een grote magere zwaarmoedige ondoorgrondelijke man met wie ik nog nooit een woord heb gewisseld.
Hij spreekt niet graag.
Hij lijkt een beetje op William Hurt.
Hij draagt blauwe handschoenen, hij overhandigt mij een gelijkaardig paar.
Weet je wat het ook is? Met de vis?
Het doet me te veel denken aan mijn kindertijd in De Panne.
Bijna elke dag ging ik met mijn grootmoeder naar de viswinkel op het Sloepenplein.
De visverkoper leek op Clint Eastwood.
Niet zomaar een beetje: hij leek als twee druppels water op Clint Eastwood.
Mijn grootmoeder was verliefd op hem, het was niet wederzijds.
Mijn kindertijd in De Panne was een verschrikking.
Geen verschrikking.
Wel een verschrikking.
Nietes, welles, nietes, welles, nietes, welles, nietes, welles…
Welles, nietes.
De afspeellijst van de sinistere supermarkt begint pas wanneer de klanten binnenstromen.
Eerst werken we drie uren zonder muziek: van 6u tot 9u.
Pas wanneer de supermarkt ‘echt’ opengaat, is er muziek.
Op alles wordt bespaard.
De afspeellijst begint beloftevol: ‘Garden Party’ van Marillion.
Daarna gaat het helaas bergaf: ‘Spice Up Your Life’, ‘Oops!… I Did It Again’, ‘Barbie Girl’, ‘Genie in a Bottle’, ‘Dust in the Wind’.
‘Dust in the Wind’ valt mee.
De chef van de visafdeling leert me de fileermachine te gebruiken.
We oefenen met verminkte tongscharren en schamele wijtingen.
Het schijnt te lukken, ik krijg het onder de knie.
Ik zeg tegen de chef van de visafdeling: ‘Ik ben jarig vandaag.’
Hij zegt ernstig: ‘Dan geef ik je straks een portie escargots mee.’
‘Alvast bedankt.’
Mijn eerste klant wil vijf pladijsfilets.
Vijf!
‘Vijf?’ vraag ik om zeker te zijn, misschien heb ik het verkeerd begrepen.
‘Ja, vijf. Dat zei ik toch? Of spreek ik misschien Chinees?’
Asshole.
Ik leg vijf pladijsfilets klaar naast de fileermachine.
Het loopt al mis bij de eerste.
Ik verlies twee vingertoppen.
Het bloed stroomt over de monsterlijke inktvissen, over de obscene palingen en over de fabelachtige roggevleugels.
Ik verlies het bewustzijn.
Ik word wakker en zie Jacques, hij draagt een aureool.
Een lichtkrans, een halo.
‘Halo van Texas’ zet in, het is een mooi liedje.
Ik legde het vaak op toen ik Russisch studeerde.
Jacques sust me, tilt me op en draagt me in zijn armen naar het dispensarium.
Het valt wel mee.
Ik ben geen vingertoppen kwijt.
Ik zeg tegen Jacques: ‘Ik ben jarig vandaag.’
‘Ik weet het, molletje.’
Soms noemt hij me ‘molletje’.
Ik vind het prettig.
Hij zegt het uitsluitend tegen mij.
Niet tegen Kelly en Diana.
Zelfs niet tegen zijn vrouw.
Ik vraag aan Jacques: ‘Ken je het Russische woord voor “vis”?’
‘Riba. Mijn ouders vingen elke zomer een sukkelachtig ventje uit Tsjernobyl op, daardoor spreek ik een mondje Russisch.’
Jacques lapt me op, hij vraagt: ‘Wat ga je doen?’
‘Doen?’
‘Is er een verjaardagsfeestje gepland? Ga je uit met vrienden?’
‘Ik ga een fles appeljenever in mijn keel gieten en naar een horrorfilm kijken waarin hopelijk ontzettend veel wrede lichtzinnige cheerleaders worden afgeslacht door één of andere imbeciele mismaakte hillbilly psychopaat met een kettingzaag, maar het is ook mogelijk dat ik braaf chocomelk drink en vroeg in bed kruip met Oorlog en vrede.’
Jacques grinnikt en zegt: ‘Je bent grappig en speciaal, Delphine.’
Wel ja…