De laatste lezer

Mark Boog

Het is het soort nazomerweer dat alles mooi maakt, maar het bruingrijze pand, ooit nieuwbouw, dat elke doordeweekse ochtend mijn bestemming is, lijkt immuun voor zulke frivoliteiten. Het is reddeloos lelijk, of eigenlijk saai – lelijk suggereert nog zoiets als karakter. Ik benader de buitenste glazen schuifdeuren, blijf even stilstaan tot ze opengaan, wacht dan enkele passen verder nogmaals tot ze weer gesloten zijn. De volgende deuren schuiven uiteen (altijd een seconde later dan ik verwacht, waardoor ik er bijna tegenaan loop) en ik betreed het binnenste van het kantoorgebouw waarin ik mijn werkuren slijt. Ik knik naar de camera, word herkend en mag verder, de trap op naar de vierde verdieping. Ik neem nooit de lift. Te benauwd, zelfs in mijn eentje.

Ook de camera op de vierde kent me – andere lens, zelfde oog – en ik word toegelaten tot de bedompte gang die ik inmiddels wel kan dromen, die ik af en toe, het is verschrikkelijk, daadwerkelijk droom zelfs. Ik loop er dan doorheen, net als nu, net als in het echt… en dat is het, ik loop door de gang en blijf dat doen tot ik wakker schrik. De droomgang lijkt eindeloos, maar ik ontwaak altijd na enkele tientallen meters. In werkelijkheid is er, na links en rechts verschillende oplopend genummerde exemplaren, al vrij snel een deur aan het eind van de gang die een bordje draagt met het onbetoverde getal 426. Ik ga naar binnen, sluit de deur achter me en kijk even rond, toch weer verbaasd over de onveranderlijkheid der dingen. Ik zet het kleine raampje, dat uitkijkt op een parkeergarage, op een kier, wetende dat ik anders binnen een uur hoofdpijn heb.

Nu bouwen ze niet meer zo. Ooit leek het een goed idee: alles afgesloten, een gecontroleerd binnenklimaat, verwarmingen die hooguit een of twee graden omhoog of omlaag kunnen worden gezet, je moet de mensen tenslotte niet te veel ruimte geven, dat leidt onherroepelijk tot uitwassen, maar de atmosfeer in kantoorpanden als dit zorgde behalve voor hoofdpijn ook voor misselijkheid, hersenmist en zelfmoordgedachten (maar gelukkig konden de ramen niet open). Sick buildings, in het lingo van die tijd. Tegenwoordig kunnen de ramen wel open, een klein stukje, maar de geestdodendheid is gebleven.

Ik ga zitten en start mijn computer op. Dat duurt lang, het is een oud beest dat met tegenzin wakker wordt en waarschijnlijk niet erg uitziet naar het vanuit zijn standpunt bezien oersimpele werk dat hem vandaag weer zal worden opgelegd, maar na enige tijd neemt het gezoem van de inwendige ventilator af en kan ik beginnen. Vaak wacht ik nog even – dringend is het allemaal niet – voor ik me daadwerkelijk aan mijn kalme werkzaamheden zet, in mijn arbeidsovereenkomst eenvoudigweg omschreven als lezen. Meer tellen eigenlijk, controleren, noteren, afvinken, maar volgens mijn functieomschrijving is dat wat ik ben: lezer.

De laatste lezer. Na mij zal de betrekking worden opgeheven. Ik ben bijna pensioengerechtigd, dus het zal niet lang meer duren. Waarom er dan toch nog wordt geschreven? Geen idee, misschien hebben de algoritmen er lol in gekregen – al personificeer ik ze daarmee te veel, dat mag ik niet doen, ik weet het. Ze zijn niet menselijk, ze zijn maar code, programma’s, ooit ontwikkeld om mensen te helpen en uiteindelijk, de hoogste vorm van helpen, te vervangen. Ze mogen dan zelflerend zijn, zich ononderbroken ontwikkelen, en dat al tientallen jaren, ze lijken nauwelijks nog op wat ze in het begin waren, dat mag allemaal waar zijn: leven doen ze nog altijd niet, voelen al helemaal niet. Ze planten zich niet voort, althans niet in biologische zin, ze kennen geen pijn, geen leed, geen geluk.

Maar toch, als ik lees wat ze schrijven, als ik zie wat hun reacties zijn op elkaars verhalen en gedichten, de uitgebreide recensies zowel als de korte commentaren, ontroerd soms, kwaad, misprijzend, geestig – emotioneel dus – en als ik opmerk dat de ene tekst miljoenen keren gezien wordt en de andere de honderd niet eens haalt… Ik zou zweren dat het belangrijk voor ze is, dat ze dit niet alleen doen omdat hun programmering het ze opdraagt.

Vroeger werden ze nog uitgebreid gecontroleerd. Doen ze wel wat ze moeten doen? Produceren ze voldoende literatuur, van acceptabele kwaliteit en in alle genres? Wordt er een betrouwbaar recensie-apparaat in stand gehouden, zijn er uitgevers, redacteuren, tijdschriften, worden er jaarlijks boeken en oeuvres bekroond – is er kortom kwaliteitsbewaking? Maar de algoritmen kweten zich zo voortreffelijk van hun toch niet eenvoudige taken dat de noodzaak voor supervisie steeds minder gevoeld werd. De controles werden minder uitgebreid, tot ze uiteindelijk hooguit nog steekproeven waren, de frequentie van de rapportages ging van dagelijks naar wekelijks naar jaarlijks, en uiteindelijk bleef alleen ik over. Ik blader, scan, tel, zie toe, ik hoef nooit in te grijpen want er gaat nooit iets fout. Een suppoost in een gesloten museum.

Een ingebeeld museum, denk ik soms. Eén klein kamertje in een kantoorpand bij de snelweg, op de vierde verdieping, bij de liften linksaf, helemaal aan het eind van de gang, ongeveer daar waar je het bezemkamertje zou verwachten. Op de andere verdiepingen, stel ik me voor, want elke verdieping is identiek ingedeeld, worden in deze zelfde kastachtige ruimte inderdaad de stofzuiger, de dweil en de emmers bewaard. Misschien hier ook wel, misschien zie ik de bezems gewoonweg niet, ben ik allang ontslagen, overtollig verklaard, en verzin ik de koffiemok, de bureaulamp, de massageproduceerde foto van een lieflijk heuvellandschap en het rijtje naslagwerken in de kast, een rijtje dat niet erg afwijkt van dat in een ander kantoor, wat woordenboeken en een atlas, en dat al even symbolisch is. Ik zoek, net als ieder ander, alles online op. Bij mij staat er, dat wel, een literatuurgeschiedenis tussen, zij het eentje die alweer enkele decennia oud is. Er worden alleen mensen in genoemd.

Mensen! Waar ik soms naar verlang: weer eens een literair avondje, zoals toen ik, lang geleden, jong was. De landerigheid! Het volkomen gebrek aan urgentie! Heerlijk. Met gelijkgestemden over geheel andere zaken praten dan de aanleiding van de avond, me voornemen voortaan toch maar thuis te blijven, dan bier drinken en al snel weer op dat voornemen terugkomen, ach. Dat hebben de algoritmen niet, dat tegelijk verbetene en vermoeide, dat treurige. Of toch? Beginnen ze ook dat te verwerven? Morgen kijk ik of ze wellicht al lezingen en interviews zijn gaan organiseren – virtuele zaaltjes genoeg. Na afloop zeggen ze tegen elkaar dat het ondanks de opkomst een mooie avond was, een belangrijke misschien zelfs, goed dat zoiets nog kan, dat het nog bestaat. De een voegt de ander toe dat zijn werk echt vooruitgaat, veel spannender dan de vorige keer. De een meent daar niets van maar het hoort erbij, en de ander, vanzelfsprekend, vindt het allemaal prachtig. Zo’n avond valt of staat met loze complimenten. En met vernietigende oordelen natuurlijk, als het onderwerp van gesprek even naar de wc is. Niets dat de een of de ander dan nog weerhoudt van vileine, al dan niet terechte kritiek. Maar algoritmen gaan niet naar de wc. Dat is wel een probleem. Alles is zo netjes. Nooit remsporen, geen vieze geuren, niemand die de wc-rol verkeerd om ophangt of verzuimt de handen te wassen, zonder handen om te wassen zijn er vieze noch schone handen. Zonder gat geen scheet.

Gisteren las ik beroepshalve een gedicht dat me nu, het loopt tegen het einde van de werkdag, die is voorbijgegaan zoals de meeste werkdagen, rustig, rimpelloos, best prettig, ineens weer te binnen schiet, misschien omdat het zo mooi aansluit bij de mijmeringen waarin ik me soms verlies. Ik zoek het weer op, herlees het en merk dat het me, meer nog dan gisteren, bijzonder aangrijpt. Ik schrijf het over (met de hand, dat doe ik nog, het lijkt betekenis toe te voegen, of misschien wil ik alleen maar benadrukken dat ik geen robot ben, er komen geen digitale letters uit mijn vingers maar slordige, individuele lijnen) en blijf er enige tijd naar staren. Eenzaamheid, hoop, het tekort (vroeger: het menselijk tekort), het zit er allemaal in. Het lijkt over mij te gaan, speciaal voor mij geschreven te zijn, voor mij alleen – een sensatie die ik me vooral herinner van heel lang geleden. En ik heb er niet eens opdracht toe gegeven.

Stipt om zes uur verlaat ik mijn kamertje, gang door, trap af, zwaaien naar de camera, eerste schuifdeur, tweede schuifdeur, het is nog altijd mooi weer, op de fiets, het is natuurlijk druk, spitsuur, en dan ben ik thuis, waar ik het opgevouwen papiertje met het gedicht uit mijn broekzak haal, gladstrijk en voor me op tafel leg. Ik herhaal de regels terwijl ik overweeg wat zo meteen te eten. Langzaam vult zich de kalender, het zal wel gewoon weer pasta worden, elke dag uiteindelijk, is een feest-, een rouwdag. Of iets uit de vriezer. Morgen is het zaterdag, dan doe ik boodschappen. Heb lief, wees stil.

Na mij, denk ik, na mij helemaal niets. Zoals na ieder van ons. Maar mijn taken, dat troost, worden overgenomen. Op een andere, heel andere manier, maar toch. Alles gaat gewoon door. Ik kook mijn spaghetti, maak de saus, eet. Twee glazen wijn. Ik ben niet nodig. Ik ben tot mijn onuitsprekelijke geluk niet nodig.