Naar de Schrijverijschool

door Fredie Beckmans

Heb ooit in mijn slaap de stoute schoenen aangetrokken en gedroomd dat ik een schrijversvakschool bezocht. Ik besefte dat ik de grammatica van de Nederlandse taal daar van mijn leven niet meer zou leren, maar oefeningen in verhaalstructuur en stijlfiguren, dat zou geen kwaad kunnen voor iemand die schrijver wilde worden. Ik heb ooit, toen ik wakker was, de schildersvakschool bezocht. De volksmond rept van kunstacademie. Wanneer je dan een leven lang schilderijen hebt gemaakt, zoals ik, blijft het hoofd vol zitten met ongeschilderde verhalen.

De schrijversvakschool was niet ver van waar ik woonde, links rechts en nog een keer linksaf, dat is eigenlijk om de hoek. Een statig en donker pand aan een Amsterdamse gracht. Natuurlijk, schrijverij doe je aan de gracht. Aan alles was te zien dat les in creatief schrijven gouden handel was geworden. Ik herkende de plek. Aan de overkant van de gracht woonde een vroegere kennis, een deftige dame. Op een keer had ze me gebeld met de uitroep dat ze me wat wilde laten zien. Ik moest wel opschieten want ze stond naakt aan de telefoon en wilde geen tijd verliezen. Hitsig flitste ik op mijn fiets door het verkeer. Haar vriend was alweer een tijdje geleden gestorven. Weinig plezier dus, maar misschien kreeg ze het leven weer op de rails en het verlangen bovendien. Ze woonde in een met eigen geld gekocht kolossaal grachtenpand en wellicht wilde ze dat ik een levensgroot portret van haar zou schilderen. Daar draai ik mijn hand niet voor om. De rest komt daarna vanzelf, dacht ik.

Ik belde aan. Ze deed open in haar Maison de Bonnetrie-kleren, en mijn opgegeilde jongensdromen stroomden zo de gracht in. Als een vaatdoek liep ik achter haar aan. Ze wilde me laten zien wat ze met de keuken van plan was. In de keuken waren twee timmermannen bezig en op haar keukentafel stond de telefoon, zo een die nog met het snoer aan de muur vast zit. Op de grond lag een handdoek. Ineens begreep ik het. Zij was uit de badkamer gekomen met alleen haar handdoek om. In de keuken zei ze tegen de twee timmermannen dat ze gerust verder konden werken. Ze moest wel dringend met iemand telefoneren. Ze belde met mij en terwijl we in gesprek waren viel de handdoek op de grond. Ze deed alsof ze vergeten was dat de kerels achter haar bezig waren en zij vertelde me dat ze naakt aan de telefoon stond en dat ik snel moest komen. Toen ze klaar was en zich omdraaide zei ze, oeps, ik moet me maar eens gaan aankleden. Vijf minuten later stond ik hijgend aan haar deur.

Met deze opgewaaide herinnering stond ik dromend aan de andere kant van de gracht voor de schrijversvakschool. Op de gevel stond trouwens Schrijverijschool. Ik ging naar binnen. In het leslokaal zaten de andere cursisten al aan een grote vierkante tafel. Het waren acht schrijvers en schrijfsters in de dop die net als ik het beste van hun jeugd al ver achter zich hadden gelaten. Misschien waren we op leeftijd gekozen en bij elkaar gezet. De docente was een echte schrijfster, die duidelijk jonger was dan wij. Ze vertelde dat ze Liza heette en somde op wat ze zoal had geschreven. Daarna zei ze dat we moesten beginnen met ons los te maken, net als bij sport. Niet te lang nadenken, gewoon ­beginnen.