Bent u voor of tegen lijfstraf?

door Eva Maria Staal

Na de zoveelste mislukte ivf-behandeling begon Ewald over adoptie. Ik voelde er niets voor. De volgende dag had ik het onderwerp al bijna verdrongen toen een inwitte vrouw mij op straat tegemoet liep met aan elke hand een pikzwart kind. Dit is niet politiek incorrect bedoeld, maar haar witheid versterkte de donkere huidskleur van de kinderen extreem, het contrast was verpletterend. De daaropvolgende inschatting duurde een nanoseconde: de bloedeigen kinderen van deze vrouw en de zwartste man op aarde zouden lichter van kleur zijn uitgepakt dan deze twee. Veel lichter. Het kon niet anders: dit waren adoptiekinderen. Een zwarte Afrikaanse moeder had ze afgestaan en nu waren ze van de witte vrouw.

Het drietal kwam dichterbij. Als in een droom stonden we opeens stil tegenover elkaar. De vrouw was blanker dan Marilyn Monroe, met ook nog lichtblauwe ogen. Wat moest ik zeggen? Moest ik iets vragen? Wat? Iets als: Hé, hallo, wow, uw kinderen komen vast niet uit Stadskanaal? In het beste geval zou de vrouw doorlopen, zij en haar kinderen gekrenkt tot in het diepst van hun ziel. En dat mocht niet. Ik moest haar juist iets vragen, iets zeer dringends, omdat ik begreep dat dit mijn kans was op licht aan het eind van de tunnel, op een gat in de heg.

Inmiddels was ik was panisch dat ze zou zeggen dat ik een stapje opzij moest doen, panisch omdat ik de juiste woorden niet vond. Maar ze zei: ‘Gambia. En als u een papiertje heeft, dan heb ik een pen.’

En terwijl haar handen die van de kinderen even loslieten om kort in haar handtas te grabbelen, vond ik een oude kassabon in mijn jaszak. Daar schreef ze haar naam en telefoonnummer op.

Ze zei: ‘Belt u mij zodra u er aan toe bent.’

We zaten in mijn ouderlijk huis aan tafel, mijn moeder en ik. Mijn vader zat in de kroeg te klaverjassen. We aten brood. Aan mijn voeten lag Letje, onze oude labrador, die, toen ik op mijn achttiende op kamers was gaan wonen, bij mijn ouders was gebleven. Ze snurkte licht en kwijlde op mijn sok.

Ik had mijn vraag expres niet ingeleid. Ik hoopte dat mijn moeder impulsief zou reageren.

‘Kan ik houden van het kind van een ander?’ vroeg ik met volle mond.

Mijn moeder schonk een glas melk voor me in. Daarna schaafde ze kaas.

Je zou denken dat ik het antwoord zelf wel kon geven, maar bij de gedachte aan een kind dat niet door Ewald en mij was verwekt, had ik nooit een beeld gekregen. Het had geen verwachtingen opgeroepen, geen verlangen. Dacht ik aan een kind van onszelf, dan zag ik muzikaal begaafde kleuters voor me, zittend aan piano’s, of fietsend naar vioolles. Ik voelde ouderlijke blijdschap over uitmuntende schoolprestaties. Ik zag regenpijpen waarlangs eigenwijze pubers naar beneden klauterden ondanks ons uitgaansverbod. Ik zag ons struise schoonkinderen verwelkomen met Kerst. Ewalds kleinkinderen zouden jongens zijn waarvan de motoriek op oer-niveau strookte met die van zijn familie. Mijn kleinkinderen zouden meisjes zijn, levendige schoonheden, wetenschappers of actrices in de dop.