Zo verschrikkelijk te laat

door Eva Maria Staal

In de auto had mijn dochter haar hand even op mijn knie gelegd. Voor haar doen een groot gebaar, ze houdt niet zo van fysiek contact. Samen tuurden we tussen de ruitenwissers door op de weg. Een kleverig gordijn van motregen wilde maar niet opzij. Toen we diep de parkeergarage inreden, viel de radio weg. We stapten uit. Je kon binnendoor de hal van het ziekenhuis bereiken.

Binnen zei ze: ‘Als je het graag wilt, ga ik mee naar boven hoor.’

Ik schudde mijn hoofd: ‘Maar erg lief,’ zei ik.

Het was stil, we waren de enige bezoekers. Toen ik in de lift tegen de achterwand leunde, zag ik hoe ze naar de stapel dienbladen slenterde, naast de gebaksvitrine en de koffiekopjes.

Mijn broer Bart en ik hadden niets afgesproken over het bezoek. Misschien zaten hij en mijn moeder ook aan mijn vader’s bed. Maar toen ik de kamer binnen liep, lag hij alleen. Hij ademde nog. Ik betrapte mezelf erop dat ik daar het eerst naar keek.

De stilte die om hem heen hing, was zo zwaar, dat ik graag een plaatje had opgezet. Van Art Tatum of Frank Sinatra, die volgens mijn vader ‘God en de Zoon’ genoemd mochten worden.

Na een tijdje ging ik naast het voeteneinde van het bed zitten op zo’n houten klapstoel voor bezoekers.

Ik had mijn vader nog niet aangeraakt. Vanaf de klapstoel staarde ik naar hem en nam een voorschot op zijn dood door me voor te stellen hoe ik me zou voelen als hij er niet meer was. Vrij. Ik schrok van de snelheid waarmee ik dat zeker wist, en mijn schuldgevoel verdween pas toen ik me bedacht dat ook hij bevrijd zou zijn. De opluchting zou wederzijds zijn. We zouden van elkaar verlost zijn. Dat was, dat was…

Ik tuurde naar de levervlekken op zijn hoofd en naar die belachelijk diepe oogkassen. Zoekend naar het geringste kenmerk waardoor hij weer een beetje op mijn vader zou gaan lijken, of desnoods op die eredivisiekeeper met semi-landelijke bekendheid, die hij ooit was geweest, maar die ik me nauwelijks kon herinneren. Lag een coma comfortabel? Waar moest ik op letten als ik dat wilde weten? De verpleegsters hadden ons de doorligplekken op zijn rug laten zien, en de pijn daarvan leek me zo gruwelijk, dat ik me niet kon voorstellen dat een coma die onderdrukte.

Omdat het nagenoeg onmogelijk was geworden hem een schone pyjama aan te doen, droeg hij een papieren ziekenhuisjurk, die met lintjes bij elkaar werd gehouden. Mij leek dat nogal koud, maar omdat er nu eenmaal niets aan gedaan kon worden verdrong ik mijn zorgen daarover, en prentte mezelf in dat mijn vaders eeuwige temperament hem ook nu warm hield.