Laatste strohalm

door Eva Maria Staal

Zodra ik thuis was na het ziekenbezoek aan mijn vader belde ik mijn broer, Bart. Ik moest zijn nummer opzoeken want we bellen nooit. Terwijl zijn telefoon overging, keek ik op mijn horloge. Half vijf, bijna borreltijd.

Ik was die ochtend slecht wakker geworden na een droom waarin mijn ex, Ewald, op zoek was naar nieuwe schoenen. Telkens bracht de behulpzame verkoopster een nieuwe doos met weer een ander paar, waarover ze van alles vertelde. Ik wachtte steeds geduldig tot Ewald klaar was met ja-knikken, aantrekken, dichtveteren, en gaan staan. Zoals altijd leefde ik mee, want Ewald’s hoge wreef vroeg nu eenmaal om aandacht. Mijn hart brak bijna toen ik zijn holle voeten zag. Je zal toch zulke holle voeten hebben, dacht ik. De schoenenwinkel was overigens in hetzelfde pand gevestigd als ons vroegere stamcafé, wat me eerst grappig leek, tot Ewald vertelde dat hij degene was die de winkel op deze plek had bedacht, ontwikkeld en gebouwd..

Dat hij daarvoor het café van onze eerste kus had gesloopt, bleef onvermeld. Ewald deed altijd alsof er niets was gebeurd, door te doen alsof er niets was gebeurd. Niet dat hij het kon helpen: zijn ouders waren ook zo. Ze bespraken nooit iets en verdrongen elke teleurstelling die daaruit voortvloeide. Nooit maakten ze de indruk meer te zijn dan twee ongelukkige mensen onder één dak. Ewald was van twee kanten erfelijk belast en bovendien zo opgevoed, hij deed zonder overleg wat hij dacht dat goed voor ons was. Ik vroeg een scheiding aan om te kijken of dat misschien was wat hij wou. Hij hielp me met het uitzoeken van een nieuw huis, liet het voor me opknappen en hielp me met verhuizen. Betekende dat nou dat hij meer om me gaf dan ik had gedacht? Of dat hij zo snel mogelijk van me af wilde?

Toen Ewald zijn nieuwe schoenen had betaald, gingen we lunchen. Ik bestelde een glas melk en Ewald witte wijn. Ewald vertelde dat er een nieuwe liefde in zijn leven was. Hij liet me een foto zien van een vrouw die in alles verschilde van hoe ik eruitzag. Ze was mooi als een prinses, blond en symmetrisch zonder make-up. Haar hakken waren hoog en spits.

‘Maar ooit kom ik terug bij jou’, zei hij met volle mond, ‘want jij en ik horen bij elkaar Agnes, wij kunnen samen oud worden. Bij jou voel ik me altijd het meest op mijn gemak. Tegen jou kan ik altijd alles zeggen.’

Hij meende het uit de grond van zijn hart, in theorie. Maar die blondine wist natuurlijk van niets. Toch hoorde ik het aan, want ik hield van Ewald op de dagen dat hij deed alsof ik er toe deed.

Ewald opende de schoenendoos en en toonde de hele lunchroom zijn nieuwe schoenen. Op dat moment ging de wekker. Ik lag op mijn rug en realiseerde me dat ons oude café er gewoon nog stond. Ik stapte uit bed en kleedde me aan, maar de droom vormde een katterig begin van de dag en het lukte me niet daar een andere draai aan te geven. Daarna hadden het bezoek aan mijn vader en de woorden van de dokter er ook ingehakt. Nu was het bijna borreltijd en nam Bart verdomme de telefoon niet aan.