Koffie en cake

door Ivo Bonthuis

Ik ben hier om te getuigen en te vieren.

Iemand moet het doen.

Ik spreid mijn rechterhand, leg duim en pink op de punten van haar laarsjes. Getuig van koud leer, vier de keuze voor deze laarsjes.

Op een goede dag zag ze die staan. Of op een kwade dag, een dag waarop ze troost zocht. Deze laarzen koos ze toen. Alle andere niet.

Een zus sprak zonet vanachter de katheder: ‘Suus is nog zo jong, ze wil nog zo veel.’

Het gebruinde gezicht van Suus, boven het zwarte jurkje, de witte panty en de rode laarsjes, drukt uit dat ze het wel best vindt zo. De mondhoeken iets omhoog gestift, een tevreden kuiltje in haar rechterwang.

Over de doodsoorzaak is niet gesproken. Er werd niets gezegd over moedig gedragen lijden of over geheel onverwacht.

Deed Suus het zelf? Waarom dan, mooi kind? Wat kon je niet verdragen?

Je kruin is zacht.

Zachte blonde kruin in de palm van mijn hand.

Mijn hand is kouder dan jouw hoofd. Gelukkig zijn er zo tapas, en glazen chianti. Je hield van het zuiden, zei je zus. Wie niet? Maar ik dank je. Ik leef alweer weken op koffie en cake.

Heeft je vader je iets aangedaan? Hij kijkt niemand aan. Steeds opnieuw haalt hij zijn BlackBerry uit zijn borstzak. De een of andere minister, schijnt het. Ik zal straks een praatje met hem maken. Wat spreken we af? Ken ik je van het zeilen?

Je zeilde graag, zei je moeder in haar praatje. Praktisch groot geworden op de boot. Maar ik zie er niet uit als iemand die iets heeft met zeilen, en je familie kent natuurlijk iedereen op de club.

Nee, ik ken je uit de buurtkroeg. Ik heet Jan. Ik ben dichter. Kijk maar naar mijn schoenen. We hadden lange gesprekken over poëzie, ik gaf je af en toe een boek.

‘Dat wist ik niet,’ zal je vader zeggen, ‘dat ze van gedichten hield.’

Een goed begin. Hij zal me dankbaar zijn. Het is prettig om na iemands overlijden onvermoede talenten te ontdekken.

‘Ze had er echt oor voor,’ zal ik zeggen.

Je hield het meest van gedichten met parkeerplaatsen bij nacht, verlaten bushokjes omringd door glasscherven.

‘Wonderlijk eigenlijk, uw dochter leek alles mee te hebben: een goede universiteit, een lieve zus, een zorgzame moeder, zeilen – en dan toch die gevoeligheid voor de poëzie van parkeerplaatsen en kapot geschopte bushokjes.’

Je vader zal langs me heen kijken en mompelen dat je nu eenmaal een gevoelig kind was, altijd al geweest. Maar dat is onvoldoende. Ik ga door. Vooral de laatste maanden was je vaak erg treurig. Je wilde niet zeggen wat er scheelde, je vroeg me de zwartste regels voor te lezen die ik kende. Je verlangde naar zinnen zwaar van wanhoop, naar het niets dat alles opzuigt.