‘Wij horen deugd en kennis na te streven’

Odysseus in La Divina Commedia van Dante

door Jabik Veenbaas

Vergilius mocht in De goddelijke komedie Dante niet alleen begeleiden omdat die hem als dichter bewonderde, maar ook omdat Dante de Romeinse dichter beschouwde als prechristelijke profeet. Vergilius had immers in de vierde zang van Bucolica of Eclogae de komst aangekondigd van een goddelijk kind en gesproken over de terugkeer van de gouden eeuw. In de middeleeuwen werd gedacht dat hij daarmee, zonder het zelf te beseffen, de geboorte van Christus en de komst van het christendom had voorspeld. Men zei van Vergilius dan ook dat hij een ‘anima naturaliter christiana’ had bezeten, een ‘natuurlijke christenziel’.

Dat misverstand had grote gevolgen. Tot diep in de twintigste eeuw hebben geleerden in die christenziel van Vergilius geloofd. Inmiddels staat echter buiten kijf dat de vierde zang van Bucolica een andere interpretatie vereist. Vergilius’ verwijzingen naar een goddelijk kind en een gouden eeuw hadden geen betrekking op Christus, maar op een zoon van Antonius of Octavianus of van diens vriend Gaius Asinius Pollio.

Ook wie Boek VI van Vergilius’ Aeneis argeloos leest, waarin de held Aeneas afdaalt in de onderwereld, kan indien onvoorzichtig gemakkelijk tot de bevinding komen dat Vergilius preludeert op christelijke opvattingen over het hiernamaals. De onderwereld die Aeneas betreedt, is opgedeeld in compartimenten. Eerst belandt Aeneas op een plek waar zich doden bevinden die niet veroordeeld lijken. Hij treft daar bijvoorbeeld jonggestorven kinderen en mensen die op basis van een valse aanklacht tot de dood werden veroordeeld. Als hij verdergaat, splitst de weg zich in tweeën. De rechterafslag leidt naar het Elysium, het oord waar zich de gelukkige schimmen bevinden, die een deugdzaam leven hebben geleid; de linkerafslag naar de Tartarus, de plek waar de lieden worden gestraft die zich tijdens hun leven niet deugdzaam hebben gedragen. Maar ook in het Elysium is sprake van onderverdeling. Alle zielen worden daar gelouterd, overeenkomstig de zonden die ze tijdens hun leven hebben begaan. Sommige zielen worden vervolgens direct toegelaten tot de gelukzalige velden, andere krijgen een tweede lichaam en een nieuw leven op aarde.

Mensen met een ouderwetse katholieke opvoeding treffen in dit verhaal allerlei zaken aan waarmee ze vertrouwd zijn: het voorgeborchte, de hel, de hemel en de plaats van loutering. Maar dit betekent uiteraard niet dat Vergilius in zijn opvattingen over het hiernamaals vooruitliep op het christendom. Er valt juist uit af te leiden dat het vroege christendom zijn opvattingen over het hiernamaals baseerde op ideeën uit de klassieke tijd. De kerkvaders bezaten een ‘anima naturaliter pagana’. Het was voor hen de natuurlijkste zaak van de wereld dat ze van alles overnamen uit de klassieke wereld.

In De goddelijke komedie van Dante is die klassieke invloed helemaal sterk aanwezig. In Dantes hiernamaals treffen we tal van overblijfselen uit de klassieke oudheid aan en dan in het bijzonder uit het werk van Vergilius. Ik beperk me tot enkele sprekende voorbeelden. De personages Vergilius en Dante in canto 3 van ‘De Hel’ worden door veerman Charon in een bootje naar de hel gevaren, over de Acheron, zoals dat in Boek VI van de Aeneis gebeurt met Aeneas en zijn begeleidster, de ­Sibylle van Cumae. En in canto 31 van ‘De Louteringsberg’ drinkt hij water uit de Lethe, de klassieke rivier der vergetelheid.