Gedichten

door J.V. Neylen


En laat voor wat is. Laat de moeder die haar stem

al zingend heeft gekraakt, laat de vader die op zolder

zijn bestaan heeft geschreven. Het is bij kraken en zolders gebleven.


Laat de tweelingzus die je met stalen glimlach

deed twijfelen of ze er was uit vriendschap of verraad: het is geen

van beide geworden. Trek dan alle graten uit je lijf

tot er niets dan jezelf overblijft. Het is aan jou nu. Dus


laat de kinderen met hun knuffels vol lijken en met messen in de tong –

die poppen waar je zo op lijken wou, laat ze als de wassen beelden

van hun ouders, in hun veel te grote rol. Kijk naar wat je achterlaat,


de koektrommelhuizen, en laat de zon op straat. Laat achter

de slijkgang van de regelmaat. Doe net als de mens die koppig

naar zijn werk vertrekt en zijn dag verlaat. Maar doe het omgedraaid.


*


Niet dit – niet dit blanco leven. Ik was niet van plan

om hier zo lang te blijven. Ik krijg ballonnen in babykleuren

de gangen hangen vol. Een man loopt erdoor,


zegt dat hij mijn dokter is. De hele dag

loopt hij mee. Als ik weg wil trekt zijn adem

langs mijn armen, ga ik liggen valt hij in mij neer.


Niet dit – niet dit horizontale leven. Het vleugelende ritme:

zijn handen pompen mijn longen tot lucht, zijn mond

op mijn klapperende lippen – hardnekkig blaast hij leven in,

zegt dat het zo voorbij is, dat de slaap weldra –


ze zijn er nog voor hij klaar is: nachtzusters

als heldere lampen, ze brengen valeriaanwortelthee

leggen geometrische knopen in mijn denken

waar ik geen woord van begrijp. Verlaten dan


het bed, de gang en doven uit. En alleen in al mijn stilte

en ik kan het echt niet helpen, valt uit mijn hoofd de afstand

die mij al jaren voor een leegte heeft behoed.


En ik zeg tegen de babyzachte gangen dat ik heus geen redden hoef.

De knoop komt los. Ik hoor het stappen van de dokter,

zijn vervloekte geometrie. Trek mijn mond weer toe.


*


Ik stift een mond. In het karmijn zoek ik een identiteit,

dit wordt pas echt als ik doe alsof, me ophang

aan een verzonnen wereld – het verhaal zegt

dat ik eenduidig ben. En ik begrijp


waar het om draait: ook ik moet in de cirkel staan.

De jager, geblinddoekt, trekt zijn zwarte laarzen aan

en de jager zegt tik. Ik sta in mijn eigen toneel


in vaste vorm, in vast kostuum. Natuurlijk

had ik nooit gedacht dat het mij zou overkomen. Dat plots

het dagboek stopt, dat de vrienden met hun boeken

en hun idealen, dat de toekomst in de zwarte vlek


waarop niemand van ons gokt. En dat ik met allongepruik, in kegelrok

mijn ware aard niet nodig heb. Alsmaar vlugger stik ik in

de kostumering die ik word: koud leer rond de trom – een daverend barok.


*


Dit meisje hier, fijn als een narcis,

ze benadert de perfectie, haar huid dom

stralend in de zon. Ze staat ongevraagd

en smetteloos als een offer. Ik woeker


breed en ongetemd, met doornen

door mijn denken en de herfst

onder mijn kleren.


Onder mijn kleurenstress

van lippen, nagels en pupillen

onder mijn vollemaanspaniek

sta ik naakt en geestelijk, of geestig,

het is me eender. Maar zij


slaat haar donzen armen uit

en poedert mijn dorre wangen.

Bijna levensgroot is ze.


Mijn god, ik zou van haar

van haar willen zijn. En als altijd

het net-niet, het bijna – betrapt is ze:


haar hand is een gewei

dat houterig een wijnglas

naar haar lippen tilt.


En in het draaien van haar ogen,

het flikkeren van haar tanden

spiegelt nergens dat ene echte

dat wijst op innerlijk gevaar.


Van haar kan ik niet

kan ik niet zijn. Ze wil een poeder

op mijn wangen, gooit nog een blik

om mij te vangen: dit meisje hier

als een wolk en zonder stem.