Blauw

door Lotte Dondorp

Nu woonde ze in een huis dat ze als kind had kunnen tekenen: een vierkant in een lange rij van vierkanten met driehoekjes erop. Een eigen huis met oranje dakpannen, een rokende schoorsteen, drie kamertjes en een afgesloten keuken die uitkeek op de tuin. Sinds een paar dagen sneeuwde het zachtjes in de morgen en merels en pimpelmezen pikten voorzichtig van de vetbollen die ze had opgehangen aan de spijkers die de vorige bewoner in de schutting had geslagen. Het was dezelfde stad en toch voelde het alsof ze heel ergens anders naartoe was verhuisd, ver weg, naar een rustige straat in een oud, vriendelijk dorp. De zachte deining van de hoge bomen uit het park dat direct aan haar achtertuin grensde, gaf haar een rustig gevoel.

Pakketjes werden bezorgd. Een bluetoothspeaker die ze naar elke kamer van het huis kon meenemen. Een stofzuiger, ledlampen, schroevendraaiers. Mijn uitzet, dacht ze en dat deed pijn. Eens in de week ging ze naar de Albert Heijn en zeulde ze twee volle boodschappentassen het huis in, als een das bracht ze het voedsel naar haar burcht. De dagen waarop ze naar haar werk moest, verstoorden haar samenzijn met het huis.

De eerste week nam ze ’s ochtends de fiets naar het centraal station, terug de stad in. De bekende wegen, de paarse gloed van het vernieuwde muziekgebouw. Al snel gaf ze de voorkeur eraan om naar het kleine station om de hoek te lopen, over te stappen, en ’s avonds weer voet aan de grond te zetten in deze wijk met de oranje daken, deze stille plek die ooit los van de grote stad had gelegen. Ze was hier nooit geweest, niet alleen, niet samen, en dat was goed, dat maakte het rustig, een zeepbel waar ze langzaam in kon rondbewegen.

In de tuin zat een roodborstje. Ze stond met ingehouden adem voor de keukendeur en keek hoe hij heen en weer hupste op de omgekeerde tegel die het einde van de plantenborder markeerde. Ze bewonderde het rood van de veertjes, zo echt rood door het wit van de sneeuw, alsof hij te diep voorover had gebogen in een bakje met verf.

Ze draaide Joni Mitchells Blue. Boven, bij het douchen, beneden, bij het koffiezetten in de keuken. Telkens opnieuw. Eerder had ze nooit tegen die treurnis in de stem gekund, het was te dichtbij. Nu leek die stem de enige die de kleine ruimte mocht vullen. Ze keek naar de hoge jukbeenderen in het donkere blauw van de albumcover en ze wilde alles weten, de teksten van elk nummer begrijpen, wanneer en waarom ze waren geschreven, meegaan op reis naar Europa, terugkeren naar Californië. Maar wel vanuit hier, vanuit dit huis.

Ze vulde de emmer waar nieuwe en oude verfvlekken op zaten met warm water en een scheutje schoonmaakazijn en ze boende het raam van de keukendeur aan beide kanten tot het helder glansde. Als hij aan zou bellen, toch, op een dag, dan zou ze naast het glanzende raam koffie voor hem zetten en achteloos vertellen over de vele vogels in haar tuin. Pimpelmezen, vinken, af en toe zelfs een specht. Die zie je niet midden in de stad. Daar zie je hooguit een meeuw vliegen als je vanaf je bovenwoning over de drukke straat uitkijkt. Hij zou zich erover verwonderen dat ze alle vogels zo goed uit elkaar kon houden, hij zou zien dat zij wel een kleine achtertuin had waarin de natuur haar bezocht.

‘De dingen die je altijd al wilde doen,’ zei ze tegen Julie aan de telefoon. ‘Je kent die dingen wel. Op tijd gaan slapen en vroeg opstaan, een weekmenu samenstellen zodat je alle voedingsstoffen goed binnenkrijgt, de hele krant lezen, proberen aan Proust te beginnen, hardlopen in het park.’ Maar ze las de krant niet en ze begon niet aan Proust. Ze stond voor de keukendeur en keek of het roodborstje al kwam, of hij het mengsel van havermout en zonnebloempitten zou vinden dat ze voor hem onder de heg had verstopt.

‘Roodborstjes’, zei ze tegen Julie, ‘zijn altijd goed.’ Ze dacht aan het roodborstje dat Peter, Susan, Edmund en Lucy de weg wees in Narnia, waar de winter al honderd jaar duurde. Aan het roodborstje dat het meisje Mary de weg wees naar de geheime tuin. ‘Mistress Mary, quite contrary.’ ‘How does your garden grow?’ zei Julie.

De sneeuw bleef rustig vallen en dempte de wereld, ving de geluiden op, stuurde de vogels met lichte dwang naar haar tuin waar voedzaam eten zorgvuldig voor ze was klaargelegd. De buurmannen pasten in het kleine verhaal. De buurman van links, de buurman van rechts. Ze vervulden hun rol precies zoals het moest. Af en toe zag je ze voor hun deur staan terwijl ze naar hun sleutels zochten, ze stampten de sneeuw van hun voeten en groetten, en zij groette terug en de deuren gingen weer dicht. Zoals het nu was, besloot ze, was het goed. Hier kon ze tegen. Het huis, het roodborstje, de buurmannen, Joni Mitchell, de bewegende bomen en de sneeuw. Zo moest het blijven: het trage ritme van de dagen, het staren naar het felgekleurde vogeltje dat steeds weer op de schutting verscheen.

‘Zonder enige verdediging,’ zei Joni Mitchell in een interview dat ze online vond. ‘Zonder geheimen voor de wereld. In de tijd dat ik dat album schreef voelde ik me als het cellofaanpapiertje dat om een pakje sigaretten zit.’ Ze zag het voor zich, het plasticje dat je tussen je vingers heen en weer kon bewegen en weg kon gooien, soms bleef het nog even zachtjes aan je vingers plakken voordat het op de grond viel, voordat er door andere voeten op werd gestapt.

Ze had met Julie afgesproken in de stad, onveilig terrein, even maar. Alles was onder controle en hetzelfde als vroeger, ze dronken nog steeds koffie op dezelfde plek, aan hetzelfde tafeltje. Het maakte haar niet uit dat hier vlak om de hoek de erker van zijn bovenverdieping boven de stoep uittorende als een wachtpost vanwaaruit ze met één schot neergeschoten zou kunnen worden. Twee handen en een wang plat op straat. Hier woonde ik, niet lang geleden, nu lopen we alleen maar langs. Eén koffie, het hoefde niet lang te duren. Ze zou betalen en dan op de fiets stappen, ze ging al bijna weer terug naar haar kleine huis, fietsbanden over de platgereden sneeuw.

Op Bol.com bestelde ze afplakfolie voor op het raam aan de straatkant. Het had namen als ‘Milky’ en ‘Opaque’, ze leken niet te verschillen. Het maakte niet uit of ze de ramen af zou plakken, de gordijnen waren altijd dicht, maar alle huizen hadden afplakfolie en het glas achter het gesloten gordijn voelde nu te naakt. Ze moest het ’s avonds afplakken, als er niemand langsliep.

Het is een periode, zeiden collega’s, zeiden vriendinnen die plichtsgetrouw opbelden. Iedereen zei: laat de tijd het werk doen en je zult zien dat het vanzelf beter gaat. Er zat geen logica achter. De mensen hadden gewoon op een dag ontdekt dat het zo werkte. ‘Wij mensen zijn eigenlijk vreemde wezens,’ zei ze tegen het roodborstje dat door de tuin scharrelde, op zoek naar iets eetbaars onder de dikke laag sneeuw. ‘We voelen een groot verdriet, we zijn iets verloren wat we helemaal niet hadden willen verliezen, maar we wachten gewoon tot het verdriet verdwijnt, tot we vergeten hoe belangrijk we het vonden.’ De vogel vloog op, maakte een tussenstop op de schutting en verdween naar de tuin van de buurman. Ze wist dat hij weer terug zou komen, hij hoorde hier net zo goed als zij.

Haar moeder belde. Wat deed ze daar toch de hele tijd in dat kleine huis, waarom kwam ze niet gezellig langs? Ze maakte ruzie, hing op, voelde zich schuldig, belde terug en stemde toe.

Op vrijdag stapte ze in de trein op het kleine station, zonder enige verdediging, afgezien van een grote capuchon die ze tot ver over haar voorhoofd kon trekken. Ze had iets willen zeggen tegen het roodborstje, door het keukenraam heen, maar hij was er niet toen ze haar jas dichtritste.

Het groene autootje dat ze vanaf het perron zag staan, leek het al te zeggen: zie je nou wel, het is heel verstandig dat je bent gekomen.

Vanuit haar oude zolderkamer keek ze uit over de besneeuwde tuin, groot, veel te groot, ze liet haar vinger over de ruggen van de kinderboeken glijden, beneden stonden de pannen op het vuur, straks moest ze aan tafel zitten en praten. Mijn huis, dacht ze, morgen ben ik weer in mijn huis, en is er niets veranderd.

‘Misschien moet je weer bij het theater gaan,’ zei haar moeder. ‘Daar kom je altijd leuke mensen tegen.’ Ze knikte, vroeg naar de kinderen van haar zus, gaf complimenten over het eten. Het was donker geworden, waardoor ze nog maar een klein stuk van de tuin kon zien. Ze kon niet goed zien of het nog wel sneeuwde. Ze speelden Rummikub, ze keken naar Twee voor twaalf en daarna naar een herhaling van Twee voor twaalf. Ze sliep in de pyjama die haar moeder had klaargelegd. ‘The wind is in from Africa,’ zong Joni Mitchell in haar hoofd.

Na het ontbijt zei ze dat ze echt moest gaan, omdat Julie nog langs zou komen. Haar moeder knikte. ‘Ga maar lieverd. Zolang je maar een beetje onder de mensen komt.’

Ze reden naar het station. In een grote boodschappentas had ze de sprei gepropt die haar oma van kleine lapjes had gemaakt en die ze nooit mee naar de stad had verhuisd. Ze had de kleuren zelf uitgekozen: allerlei tinten blauw en geel. Haar oma had er lapjes met kleine huisjes tussen genaaid.

Thuis legt ze de sprei op haar opgemaakte bed. De zon licht het geel op, lijkt te zoeken naar de huisjes tussen het blauw. In de tuin draait ze zonder jas aan langzaam rond en ze bekijkt alle hoeken. Daar, waar nu sneeuw op de aarde ligt, zullen planten groeien en tegen de muur zal ze een regenton zetten. Ze kijkt omhoog en door het blauw van de lucht vliegen duiven, de zon flikkert vanaf hun witte buiken de tuin in. Met haar rug tegen de schuurdeur kijkt ze naar het oude huis dat nu ineens van haar is, van haar alleen, en dat zowel een uitnodiging als een opdracht lijkt te zijn.

In de keuken zet ze de fluitketel op het vuur en buiten op de schutting verschijnt het roodborstje. Ze wil tegen hem praten, vertellen over de plannen die ze heeft met het huis en de tuin, over het gevoel dat nu langzaam en onverklaarbaar verandert. Maar de vogel zoekt rustig naar eten onder het dunne laagje sneeuw en ze blijft stil staan kijken, met haar hoofd tegen het glas geleund, tot hij heeft gevonden wat hij zoekt en wegvliegt.

De volgende ochtend staat ze vroeg op. Ze weet het al wanneer ze beneden komt en nog niet naar buiten heeft gekeken, de gordijnen nog niet open heeft gedaan. Ze zet de deur naar de tuin open en ademt in. Het water drupt van de bomen. De lucht vult zich met het opgewonden getsjirp van allerlei vogels. Er is niets meer tegen te beginnen. De lente komt eraan.