Wat je losliet

door Philip Huff

Ze was twintig jaar ouder – twintig jaar en drie maanden – en getrouwd. En je wilde dat ze bij je was. Dat kon niet, want ze was getrouwd. Maar haar vrouw had een beroep met maatschappelijk aanzien waarvoor ze lange dagen maakte en vaak in een andere stad bleef slapen. In de uren die vrijkwamen, uren waarin werd verondersteld dat zij sliep, leefden jullie een leven buiten de gewone tijd – avondeten om tien uur, gesprekken die doorgingen tot vijf uur in de nacht, het ontbijt als lunch.

Je weet niet precies waar ze werd geboren, in welk ziekenhuis, noch in welke plaats, wel in welk jaar: 1962. Het jaar dat platenlabel EMI de eerste single van The Beatles uitbrengt en dat Gerrit Achterberg, Yves Klein, Herman Hesse, Karen Blixen en Marilyn Monroe overlijden. Een jaar dus dat, wellicht meer nog dan omliggende concurrenten, aanspraak maakt op de titel van het jaar met de grootste omwentelingen – het einde van de mythe van het mannelijke genie, van het beeld van de Europese, verlichte koloniaal en het idee van de Amerikaanse onschuld – ook in jouw leven dus, door haar geboorte.

Haar vader had laat kinderen gekregen. Haar moeder overleed toen ze zeven was. Wat ze nog van haar wist, hield het midden tussen droom en herinnering, waarschijnlijk meer gebaseerd op foto’s dan op haar geheugen. Dat kon haar niet schelen, zei ze: ze had in ieder geval een beeld. Haar vader hertrouwde, met een jongere vrouw, natuurlijk. Ze scheelden meer dan twintig jaar.

Ze lieten haar moeder, een groot Multatuli-bewonderaar, cremeren en strooiden de as uit in de duinen. Ze betreurde het, zei ze, dat ze geen duidelijk ceremoniële plek had om haar moeder te bezoeken. Voor het eerst begreep je die andere functie van begraafplaatsen: rustige plekken met herkenbare graven, waar enkel mensen kwamen om te bezoeken en herdenken – niet om uit te waaien of te zoenen.

Dat was de eerste noch de laatste keer dat je van haar zou leren. Haar zinnen als aforismen, je schreef ze stiekem op bonnetjes, soms vind je er een terug in een boek; een rekening die eerst dienstdeed als notitieblaadje en eindigde als boekenlegger. Als je denkt dat alles al is gezegd, heb je de hoop op vooruitgang opgegeven. En: Sommige mensen breken, maar door de kieren schijnt licht naar binnen.

Ze groeide op in Aerdenhout. Je zag een foto van haar tijdens een wandeling in de duinen, een spijkerbroek met strakke pijpen en een wit T-shirt met een leren jasje erover – er zullen altijd twintigjarigen zijn, de leeftijd zelf is tijdloos; het is de mode, van kleding en van opvattingen, die twintigjarigen dateert. Ze keek recht in de camera, zittend op een steen of een paaltje, een glimlach waarin gelijke delen verwelkoming en ‘kom maar op’ waren vermengd; aan de ene kant warmte en wijsheid, aan de andere kant naïviteit en honger. Het was een doodgewone foto en zoals de meeste doodgewone foto’s verhelderde hij een leven: dit was iemand die het licht anders ontving. De foto verraadde ook een leven vol privileges, van kennis over paarden en eilanden in de Egeïsche Zee. Van de geur van zonlicht op parketvloeren, zomers in de Vogezen en winters ‘op de berg’, van restaurants met vaste tafels, maître d’s die trots en teder flessen rode wijn presenteren, als waren het hun eerstgeborenen – en haar als twaalfjarig meisje al toelachten als een vrouw van de wereld.

Ze vertelde over haar jeugd, dat deel van het leven dat we niet kunnen vormgeven, dat we slechts kunnen ondergaan – over rijlessen in een bak naast een oude boerderij buiten het dorp, de staldeuren lager dan je zou verwachten, de lucht zwaar met de geur van stro en hooi en paardenvijg, stoffig glas, vies als een leeg glas melk, schaars licht op de gestorte vloer. En danslessen op het loslatende visgraatmotief van de balzaal van een oud hotel in de duinen, nu lang geleden afgebroken.

In het donker fietste ze naar huis onder een gigantische maan die overal scheen, op het duinzand, op de daken, op het schelpenpad. Je zag haar voor je en dacht: haar jeugd kende warmte, rust, veiligheid, een vuur dat in haar buik begon en nooit meer uit zou gaan. Elke in- en uitademing wakkerde het aan.

Verdriet had haar nog sterker gemaakt. Warmer. Zachter. Natuurlijk is het mijn schuld/ als het licht daar niet is/ waar ik ben. Ze las de regels in een boek op school en schreef ze op het behang naast haar bed, in haar dagboek, achter in schoolschriften. Ze miste een stukje van een voortand, omdat ze op haar zeventiende van een trap was gevallen toen ze een nachtvlinder uit een lamp in het voorportaal wilde bevrijden.

Haar vader was van adel, de derde lichting, die van Willem I, die er ‘zelf om had moeten vragen’ – dat stak hem. Ze had daar niets mee, zei ze, maar ze droeg wel de zegelring van haar grootvader. Haar vader had een leven van publieke dienst geleid, het salaris aangevuld met het rendement van het familiekapitaal, van het huis in Aerdenhout, een appartement op de Leidsegracht, een oude boerderij in de Vogezen. Zelf had ze een huis in de Kerkstraat en een woonboot op de Vinkeveense plassen. Ze leerde van haar vader sober te leven, maar tegelijk te besparen op eten noch behuizing. Ze was zich bewust van haar privileges, begreep als geen ander wat delen betekende: Als het niet veilig is voor een iemand, is het niet veilig voor wie dan ook. Ze muntte dat vermoeide cliché opnieuw, tot het blonk, door wie ze was en hoe ze gedroeg, ten overstaan van museumdirecteuren en winkelbedienden.

Ze ging studeren (kunstgeschiedenis), omdat dat hoorde, omdat een studie belangrijk was – al wist je dat pas achteraf, zei ze: ‘Pas als je bent aangekomen, weet je waarom je kwam.’ Wellicht kwam de zegelring van pas tijdens haar werk als conservator. Indrukwekkender was de groene rivierdelta van aderen op haar handen, de lange, elegante vingers die de pianolessen verrieden die ze tot ver in haar tienerjaren had gevolgd. Ze speelde Schubert en Beethoven, op de staande piano op de woonark, luisterde naar de uitvoeringen van Argerich.

Je weet dat, omdat ze die muziek voor je speelde, terwijl je op het vloerkleed in haar appartement lag of een studieboek doorploegde aan de eettafel van de woonboot. Soms nam ze een stukje op met haar telefoon en stuurde je het fragment. Rustgevend als regen op het dak terwijl je in bed ligt, zacht prevelend als een tuin in de regen. Je luisterde het ’s nachts in je hoogslaper, bovenaan de oude trap die kraakte in de muur, tussen het stinkende koudvuur van ongewassen lakens. Die telefoon ben je kwijtgeraakt, maar onverminderd helder hoor je de klanken; de echo van de tijd maakt ze alleen maar indringender, als stenen die in een waterput worden gegooid en de diepte laten horen.

Je groeide. Als een blad.

Alle details – niet abstract, maar fysiek, als littekens en spullen – die je een leven lang meedraagt, nee, meer nog: die je leven bepalen! De zegelring van haar grootvader, het horloge van haar vader – al zou zij zeggen dat niet de spullen maar de verbindingen met mensen je sturen. Jij zou zeggen: die spullen verbeelden die verbindingen. Wellicht zou je niet moeten zeggen dat al die details je leven volledig bepalen. Dat is wat overdreven. Al wordt de grootte van die overdrijving vaak ook weer overdreven.

In het koude zwart van de nacht, de sterren als kerstlampjes in de hemel gehangen, liep je van de sociëteit naar haar huis, naar haar warme lichaam, haar warme bed. Je herinnert je gesprekken waarin jullie je allebei even leergierig en enthousiast als kinderen uitdrukten, de wereld met woorden verkenden en zonder: je herinnert je haar lijf, jouw lijf, haar ledematen, jouw benen en armen die trilden, rilden en schokten. Je herinnert je haar alarmklok die dwingend blaatte. Je herinnert je ’s ochtends vroeg bij haar de deur uit lopen, met het fluiten van de vogels en de lage zon op een kant van je gezicht. Je denkt aan de uren daarvoor, de uren van de nacht, van het duister, de uren buiten de normale uren, waarin elk gedeelte van jullie lichaam met elkaar in communicatie is geweest, haar ogen in concentratie nauw samengeknepen, haar gezicht gespannen dan weer ontspannen – en in je buik tuimelen dolfijnen.

‘Ik probeer niet te veel te denken over hoe je zogenaamd hoort te zijn,’ zei ze, ‘als man of als vrouw, als ouder of als kind. Daardoor onderdruk je jezelf. Of je voelt jezelf juist verheven, en dan zit je evengoed gevangen, zij het iets comfortabeler.’

Je herinnert je het licht van zomerse dagen aan het water, ochtenden – zonder alarmklokdruk – die middagen werden, het zonlicht achter de witte gordijnen, steeds intenser, een licht dat de wereld ontvouwde, tastbaar maakte: haar gestikte schoenen op de vloer, haar lichte kleding in een hoopje op de grond naast het bad. Een witte kuip, vrijstaand, in de kamer, tussen de ramen en het bed. Je herinnert je de glanzende pagina’s van je studieboeken, een glas water met de afdruk van lippen, haar gouden poederdoos, de borstel met haar blonde haren; al die beelden, geschenken; al die gevoelens, overweldigend. Je herinnert je – opnieuw! – ’s avonds naar haar huis lopen, door verlaten, donkere straten, en dit gevoel: niemand die dit weet en niemand die dit ziet! Je had haar beloofd, gezworen, het aan niemand te vertellen. Niet aan je zus, niet aan je vrienden, aan niemand.

Je denkt – nu – dat dat niet verstandig was.

Maar wat het opleverde! Een hoofd vol herinneringen die je eindeloos kan herhalen, als een lijst van geliefde liedjes op repeat: haar haar als een slaperige, gouden storm op haar kussen, haar tanden die glommen als ijsklontjes. Je bent sterk, jij.

Je hebt geen spullen van haar. Ze gaf je een boek over Debussy dat je bij een verhuizing bent kwijtgeraakt (hoe in godsnaam?), het verzameld werk van Steve Reich voor ECM, dat iemand tijdens een huisfeestje van je kamer jatte. Voor iemand die in de wereld van de beeldende kunst bewoog, was ze veel bezig met muziek en architectuur, ze sprak nooit over Ai Weiwei, Anish Kapoor, Mary Cassatt of Artemisia Gentileschi. Je begon er zelf over te lezen. Nu weet je zeker dat je haar meer had moeten vragen. Ze had je alles over kunst kunnen vertellen. Sterker, nadat je vertelde over de overzichtstentoonstelling van Beuys, die je in Düsseldorf had bezocht, vertelde ze over zijn zelfmythologisering, trok een boek over hem uit de kast. Ze vertelde over het recht van kunstenaars om de geschiedenis van hun eigen levens te herschrijven, over de noodzaak van jezelf scheppen. Niet uit romantische of mythologiserende overwegingen, maar uit functioneel oogpunt: om te laten zien dat kunst het leven net zo transformeert en hervormt als het geloof, de economie en de wetenschap. ‘Hou maar,’ zei ze nadat je de laatste bladzijde omsloeg.

‘Echt?’

Ze knikte.

En je vergat het boek mee te nemen, uiteraard.

Je zag haar elke week ook twee keer overdag, tussen haar werk en jouw colleges door. Ze nam jouw agenda net zo serieus als de hare, ook je corpsgerelateerde activiteiten. Je was student, zei ze, je moest bezig zijn met jezelf en al die andere functionerende narcisten, alcoholisten en uitvreters. Je was te bang haar te zeggen dat je haar elke dag van de week wilde zien. Ze zou een leven voor jou moeten beëindigen.

Nu denk je: dat is geen manier om een leven te beginnen.

Je ontmoette haar in de zomer voor je bestuursjaar, toen Willem en jij bedienden op een of andere borrel ergens in een binnentuin van een grachtenpand. Je zag haar aan de overkant van de vijver en je blik keerde telkens naar haar terug.

‘Kijk je niet té opvallend?’ zei Willem, met een schalkse glimlach.

Je liep de donkere keuken in, moest wennen aan de duisternis, en keerde daarna met een vol dienblad terug naar de zonnige tuin. Mensen praatten, je kreeg wat losse zinnen mee, flarden die op zichzelf een geheel vormden: ‘Dan gaan we toch van driehonderd naar zeshonderd k, wat kan ons het schelen?’ Je keek telkens haar kant op en toen, ineens, keek ze ook jouw kant op. Een gedeelde blik volgde die je moest opgeven: ‘Jongeman, heb je ook spa rood?’

Ze grijnsde, later, toen je haar dat vertelde en de oude man een nog bekaktere stem gaf dan je eigen: ‘Jongeman…

Je ziet de beelden van haar andere leven, in Amsterdam, openingen in het Rijksmuseum, het Van Gogh, het Stedelijk – een gehaast sigaretje onder het hoge dak. Als je als Nederlander wereldberoemd wil worden, zei ze, dan moet je iets doen zonder taal. Fotografie, design, voetbal. ‘Wat dat betreft heb je pech met je roeping.’ Ze zei het zonder enige ironie.

Ze had het eens over de projectie van een zelf op de toekomst, van de kant die een leven op moest – van de aspiratie van de beginnend kunstenaar om nu de werkende kunstenaar te worden die hij straks wilde zijn, zelfs als die beginneling geen idee had wat het betekende om te werken in de kunstwereld. Wat moest je anders?

Ze was vaak in New York, Berlijn, Basel, Mexico-Stad. Je zag haar met evenveel gemak over eeuwenoude bruggen lopen als een taxi aanhouden op 42nd Street; zo’n vrouw met een lichtkrans als haar (het zonlicht in haar haar, dat beeld komt vaak terug) wanneer ze uitstapt voor het huis van Luis Barragán. Ze was zich bewust van het geweld van al dat vliegen; ze had geen auto, at vlees noch vis, liep lichtjaren voor op de rest van het land. Ze vertelde over het bewustzijn van de octopus. Een middag per week deed ze in een revalidatiecentrum op de Overtoom vrijwilligerswerk. Het was niet genoeg, zei ze, maar in ieder geval iets. Ook dat snapte je door haar, de keuzes die je kan maken, dat je kan stemmen met je handen en voeten: wat je koopt, en waar, en dat dat niet alles is, maar tenminste iets. Bewustzijn van de complexiteit van goedheid maakt je geen hypocriet.

Je hielp haar in haar jas aan de voorkant van het grachtenpand. Jullie praatten wat. Dat wil zeggen: zij stelde vragen. Je keek haar in haar ogen, als een vogel zocht je blik die boom om in te landen – telkens weer. Om haar lippen lag een lach. Toen vroeg ze je of je haar nog een keer zou willen zien. Je knikte, wist niet wat je verder moest zeggen en de stilte groeide, tot die zo overweldigend was dat je dacht te hebben gefaald. Toen zei ze ‘Leuk’ en gaf je haar kaartje.

Je had haar trouwring gezien. De foute aanname was dat ze met een man was getrouwd, de fout was te denken dat dat enkel voor haar en haar wederhelft een probleem zou zijn. Ze was lichamelijk niet trouw aan haar echtgenote, maar hun huwelijk altijd loyaal.

Ze vertelde veel over zichzelf, ja, maar altijd – altijd – vroeg ze je nog meer. Over je hart (‘je hart!’), over ‘het organogram’ van je familie. En je vertelde haar alles. Liefde, leerde je, was een daad van openheid, van transparantie. Ruimte voor jezelf betekende ruimte voor de ander, duidelijkheid voor de ander betekende duidelijkheid voor jezelf. Het menselijk hart moet leren om liefde te ontvangen. Na een bepaalde leeftijd ben je daar zelf verantwoordelijk voor.

‘Ik ben verloofd geweest,’ vertelde ze. ‘Een architect. Hij zal nu wel getrouwd zijn, met kinderen. Woont waarschijnlijk in een vrijstaand huis in het oosten. Het was altijd zijn droom, een eigen woning met een houtkachel, geen buren in zicht.’

‘Hebben jullie geen contact meer?’

Ze glimlachte. ‘Nee. Dat kan niet, soms. Dat leer je nog wel. Niet omdat er dingen zijn gezegd of gedaan die niet kunnen worden teruggenomen, maar omdat het te pijnlijk is, soms, om te zien wat je hebt moeten loslaten. Dat het wel verstandig was, maar ook verdrietig.’

Dan, de beelden die het langst blijven hangen, elke keer even onschuldig als een pasgeboren kalf, glimmend in het vlies. De woonark, haar lichaam is een bron van warmte: een haard in de winter, een binnenzon in de zomer. Ze draagt je T-shirt – ze heeft het vannacht blijkbaar aangetrokken – en heeft een blauw oog, een racefiets die naar beneden is gekomen. Ze opent haar ogen en ziet dat je naar haar kijkt. Haar oorschelp, met adertjes als de nerven van een blad.

‘En?’ vraagt ze. ‘Is mijn blauwe oog nog steeds prachtig?’ Ze praat in haar kussen.

Je knikt. ‘Als dat kan en mag… ik word er zelfs geil van. Is dat raar? Als dat zo is, dan laat ik het bij mijn knik en heb ik verder niets gezegd.’

‘Niet raar. Niks is raar. Iets is misschien gewenst – of ongewenst – of strafbaar.’ Ze glimlacht en draait zich om. ‘Maar dit blauwe oog deed verdomd veel pijn, dus…’

‘Komen we bij jouw grenzen aan,’ zeg je. (Ze sprak vaak over ‘grenzen’, zei dat ze alles met je wilde proberen. Paden ontstaan waar je wandelt, niet waar de pijlen heen wijzen.)

Ze grijpt met haar hand naar je kruis. Ze lacht. ‘Ik dacht meer: dus ik zal niet snel weer een fiets op mijn gezicht laten vallen.’

Ze pakt nu je harde pik vast, haar vingers stevig om de schacht. Laat je iets los. ‘Zo.’

Je legt je vingers tegen haar buik. ‘Ik vind je blauwe plek indrukwekkend.’

Ze brengt haar hand omhoog, spuugt erin en brengt hem weer omlaag. ‘Indrukwekkend vind ik dat je me vier keer achter elkaar laat klaarkomen. Het is een soort toverkunst. Of bezwering.’

Je gladde pik groeit nog groter in haar hand. Er is niets buiten dit bed, buiten dit gedeelde bewustzijn.

‘Hoe voelt onze seks voor jou?’ vraag je.

‘Eerlijk,’ zegt ze.

Je glimlacht. ‘Je bent zo nat.’

‘Ik weet het. Het is gênant.’

‘Nee. Niet. Het is eerlijk, dus.’

‘Ik kan je niet vertellen hoe sexy dit is. Ik zou willen dat je me vastbond. Aan dit bed. Aan mijn enkels en polsen.’

Fuck.’ Je stem klinkt zacht.

‘Of aan zo’n kruis. Zou je dat eens willen proberen?’

‘Lijkt je dat wat?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Ik zou weerloos zijn.’ Ze smeert het voorvocht van je eikel uit over de schacht. ‘Helemaal van jou. Zou de IKEA ze verkopen?’

Je moet lachen. Je gladde eikel schiet tussen haar vingers vandaan. ‘Ik vind je fantastisch,’ zeg je dan, en je beweegt iets te wild naar haar toe om haar lippen te zoenen. ‘Ik weet dat je dat een stom woord vindt, sorry, maar ik vind het. Alles met jou is – het is zo cliché, maar alles is meteen – vertrouwd.’ Je kust de licht gerimpelde huid boven haar borsten, waar haar hart onder slaat. Haar huid, de geur van haar haar, het katoenen licht; het maakt je duizelig, alsof je gaat flauwvallen – maar het zet niet door, het rekt zichzelf op als kauwgom.

‘Ja?’ Ze kijkt je aan met ogen die glimmen als een waterspiegel.

Je maakt een instemmend geluid, diep in je keel. ‘Ja.’

Je herinnert je de ochtenden dat je wakker werd omdat iemand op je borstkas zat en de sloop kraakte door het donderen van de bloedstroom in je oren. Je herinnert je de nachten met een hart van slag, zoals een ongelijkvormige steen van een helling rolt, onregelmatig stuiterend, springend.

Dat ze zo lief voor je was! dat ze meeging naar het ziekenhuis, omdat je je zus niets meer wilde vertellen en je broertje niet wilde belasten. Omdat Willem, hoe lief hij ook was, je hand niet vasthield.

‘Waarom doe je dit?’ vroeg je haar eens toen ze aan je bed zat op de eerste harthulp, midden in de nacht.

‘Omdat ik het wil.’

Je wilde zeggen: ik hou van jou. Maar je was bang alles gecompliceerder te maken, haar weg te jagen. Je hebt het vermoeden dat ze dat wist, dat ze dat voelde – de liefde én de angst. Het is merkwaardig, dat het belangrijkste vaak onuitgesproken blijft. Je had het moeten zeggen. Je zegt het nu: ‘H., ik hou van jou. Ik had het met jou willen proberen.’

Haar vrouw had gesolliciteerd op een functie in het buitenland, die ze ging krijgen. Ze vertelde het in de trein terug naar Amsterdam, nadat jullie samen vijf dagen in Berlijn waren geweest; de uitgediepte ring van de S-Bahn rond de stad, het hoge onkruid tussen de opgehoopte, wit-uitgedroogde kiezels; de brede wegen van West en het lege grasveld van Tempelhof in Oost. Het Museum Berggruen, zalen met de stilte van een bibliotheek, maar de impact van de slagen uit de sportschool, een standbeeld van Giacometti bij binnenkomst – de lijnen van een mens.

Het perron was leeg, het hele station oogde verlaten: de ruimte onder de hoge overkappingen vulde zich met zacht geplukt herfstlicht en de hoge echo van mechanische klanken. Je weekendtas hing over je schouder. Ringmussen pikten in een weggegooid frietje naast de stationstrap.

Het was voor jullie beiden ongemakkelijk. Voor jou, omdat je niet wist of jullie nu voorgoed afscheid namen, voor haar – weet je nu – omdat zij dat wel wist.

‘Dit kon niet veel langer duren,’ zei ze.

Je knikte.

‘Je bent lief.’ En toen: ‘Je moet huilen.’

Je knikte weer, haalde je neus op. ‘Van mij mag het nog twintig jaar duren,’ zei je. Het simpele gegeven vernietigde je bijna: ze vertrok. Van deze plek. Uit dit moment en uit jouw leven.

‘Missen is een vorm van houden van,’ zei ze, ‘van vasthouden wat je anders denkt te verliezen. Maar als je het loslaat, zul je zien dat je het niet kwijt bent. Er komen weer anderen, dat beloof ik je.’ Ze zweeg. Met haar gezicht vol geheimen. ‘Ik hou van jou.’

Het was de enige keer dat ze het zo zei en het voelde als een opening, maar je durfde er niet doorheen te stappen. Je was toch nog te bang je iets in te beelden. Ze keek je aan, haar ogen als zoeklampen, die naar binnen schenen en alles zagen. De mensen bewogen om jullie heen. Ze zette haar zonnebril op. Je had het gevoel dat ze nu zonder jou deze scène uit een toneelstuk uitspeelde, en niet tijdens een of andere repetitie, nee, dit was de première, en in het leven was er van alles maar één première – maar je wist niet wat je tekst was, je wist niet wat je moest doen nu je je teken had gemist: zíj moest het doen, zij moest je leiden. Net als de eerste keer, die middag dat jullie elkaar hadden ontmoet. Maar ze zei niks.

Jullie liepen door de tunnel van het station: het witte licht, de sfeer van een ziekenhuis.

Op het plein voor het station keek je haar na. Ze sloot aan bij de mensen die in de richting van het Damrak liepen. In het zachte namiddaglicht van de stad. Toen ze tegenover het Victoria Hotel de straat overstak, meende je te zien dat ze een hand achter haar zonnebril bracht.

Als je daar nu aan terugdenkt, voel je een lichte pijnscheut in je borst, gevolgd door een tinteling, zoals een litteken in de winter kan opvlammen.

Maar de wond is geheeld en de les is geleerd.

Dat zij bij jou binnenging – en in jou was en in jou bewoog. Je proefde haar liefde. Jullie lichamen waren nat en glad en je wist soms niet meer waar je haar moest vastpakken. Ze zei dat ze van je hield en vloog toen naar het Westen, de zon in.

Ze belde nog één keer en zei dat ze je miste, en dat ze hoopte dat je van je leven ging proberen te maken wat je ervan wilde proberen te maken. Of je verzon dat ze belde, maar het was wel écht haar stem die je hoorde in je hoofd – en zo vond je daar in ieder geval wat je zocht, haar warmte, haar wijsheid.

Soms kijk je naar foto’s van haar leven in Amerika. Ze woont net buiten Was­hington D.C. Haar vrouw werkt op de ambassade. Ze hebben een twee­jarige tweeling, een houten speelhuisje in de achtertuin en een geelblonde hond.