Wij slaven van Suriname en Ik Multatuli

Over Anton de Kom

door Margriet de Koning Gans

Eind vorig jaar werd ik verzocht te stemmen op Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, omdat het meedong naar een publieksprijs die Humberto Tan in het leven heeft geroepen voor het Non-fictie Boek van het Jaar (Allemaal Hoofdletters, Heel Belangrijk). Wij slaven verscheen al in 1934 in gecensureerde vorm, maar beleefde in 2020 een herdruk. Via die omweg mocht het nu een gooi doen naar de titel.

Aldus bevond De Kom zich in een bont gezelschap van tien auteurs, waar behalve de huidige mentaliteit van Nederland, kanker, corona en Arjen Lubach, ook de kleine stukjes van Paulien Cornelisse over Japan in stonden. (Het was dus maar tot welk onderwerp men zich voelde aangetrokken.) Wanneer ik weleens langs de Nederlandse televisiezenders struin, stuit ik op programma’s als Je zal het maar hebben, Restaurant Misverstand en Nederland staat op tegen kanker. Dus mijn angst groeide dat de nationale fascinatie voor ziektes zou zorgen dat corona of kanker met de eer zou strijken. Gelukkig triomfeerde de rechtvaardigheid boven de nationale voorliefde voor terminale aandoeningen en kon ik me erover verheugen dat mijn stem op Wij slaven niet tevergeefs was geweest.

En in het verlengde daarvan wil ik nu ook kwijt waarom het boek terecht heeft gewonnen, mochten daarover twijfels bestaan.

Vlak voor de eerste, ‘intelligente’ lockdown over ons neerdaalde, heb ik nog snel een stapel boeken in huis gehaald, onder meer de nieuwe uitgave van Wij slaven, dat ik al jaren wilde lezen. De uitgave liep parallel met de grote tentoonstelling over Suriname in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, waar een enorme foto van het knappe, beschaafde gezicht van de Kom, met borsalino, op de gevel prijkte. Tijdens die tentoonstelling werd op 17 februari een gedenksteen in de kerk onthuld door onze koning, niet voor Anton de Kom, maar voor Multatuli. Ik vond dat zacht gezegd ongerijmd, maar verder viel niemand in Nederland daarover.

Al lezend wist ik eerlijk gezegd niet wat me overkwam. Naarmate ik vorderde begon het me te dagen dat ik Wij slaven veel beter vond dan Multatuli’s Max Havelaar, of de Koffieveilingen van de Nederlandsche Handels Maatschappij (1860), wat sinds jaar en dag de belangrijkste roman van Nederland wordt genoemd. Eigenlijk kun je alleen de eerste vier hoofdstukken van de Max Havelaar, die over Batavus Droogstoppel, handelaar in koffie aan de Lauriergracht 37 in Amsterdam, nog bestempelen als leesbaar, en als fictie. Hij schetst daarin een hilarisch beeld van de kortzichtige handelsmentaliteit in Nederland. Ik bewonder de sardonische toon van met name dit deel, en de ingenieuze compositie van het hele boek.

Na het vierde korte hoofdstuk komt ‘het pak van Sjaalman’ aan de orde. Dan heeft de lezer nog ruim tweehonderd bladzijden te gaan. Sjaalmans pak bestaat uit een ongeordende stapel papieren die Droogstoppel door een aan lagerwal geraakte klasgenoot in handen krijgt gedrukt (de arme man heeft niet eens een jas!). Hij geeft het te lezen aan stagiair Stern, die liever poëzie leest dan winst- en verlieskolommen bijhoudt. Het pak bevat de aanklacht van Eduard Douwes Dekker, alias Sjaalman, alias ‘de man van Lebak’ Max Havelaar, alias Multatuli, gericht aan de Nederlandse regering, over de onderdrukking van het Javaanse volk door de Nederlanders. Om die aanklacht wat af te wisselen geeft Multatuli zo nu en dan het woord aan klasgenoot Sjaalman die boos is, aan Stern die innig begaan is met het lot van de Javanen en aan Droogstoppel die het gebrek aan begrip voor de Javanen koppelt aan zijn zorgen over zijn omzet. Zo smeert de schrijver het eindeloze gedram tegen de autoriteiten uit over drie vertelperspectieven. Want Douwes Dekker blijft maar tot in den treure steeds op dezelfde dichte deuren kloppen, en wanneer zelfs de gouverneur-generaal hardnekkig niet thuis geeft, Havelaar ontslag neemt omdat hij niet wordt gehoord en tot persona non grata wordt verklaard, vertrekt diens alter ego naar Nederland om het hogerop te zoeken. De man van Lebak wil eerherstel voor zichzelf, maar krijgt wederom nul op rekest en stort zichzelf en zijn gezin in de armoede. Daarom vindt hij dat hij zo veel heeft geleden en noemt hij zichzelf Multatuli, degene die zo veel heeft gedragen, en daaruit blijkt dat het boek met al die pseudoniemen vooral over hemzelf ging.

Sjaalmans pak bevat twee intermezzo’s: het sprookje Saïdjah en Adinda en het sprookje De Japanse steenhouwer. Het eerste gaat over twee nog bijna kinderen uit een kleine nederzetting die verliefd worden op elkaar, maar elkaar verliezen door de wrede onverschilligheid van de Hollanders. Het laatste is, zoals de titel al prijsgeeft, een Japans verhaal over een handwerksman – ik heb nooit helemaal begrepen wat dat sprookje in Max Havelaar doet. Mogelijk vereenzelvigde Multatuli zich met de steenhouwer om het zware, ondankbare werk dat hij gedoemd was te verrichten. Sisyphus zal door zijn hoofd hebben gespookt. Evident is dat hij enorm met zichzelf te doen heeft en terwijl hij aan het slot van Max Havelaar jammert over de schoonheid van ‘het Rijk van Insulinde, dat zich slingert rond de evenaar als een Gordel van Smaragd’, een land waar zich zo veel onrecht voltrekt, om dan vervolgens koning Willem III om hulp te smeken, denk je bij jezelf: ‘Het is een schitterend slotakkoord, maar denk je nou heus dat hij wel zal luisteren?’ Geen moment komt het bij hem op dat Nederland als bezettende macht helemaal niet thuishoort in Indië, maar daarin stond hij in zijn tijd niet alleen. En dat is niet eens het meest opvallende: hij spreekt wel over en ook wel namens de ‘inlanders’, maar hij gaat niet met ze om. De enige twee slachtoffers die bij naam worden genoemd, komen voor in het sprookje. Het lijkt wel of er op dat hele Java verder niemand woont. Waar zijn al die onderdrukte mensen?

Een middel om eerherstel te krijgen, is Multatuli’s streven om als schrijver van een literair werk de aandacht te vangen. Misschien is dat minder raar dan het nu klinkt. Hij was zijn status als bestuursambtenaar kwijt, want hij was een klokkenluider. Als schrijver kon Multatuli weer aanzien krijgen. In de negentiende eeuw was de literatuur belangrijk, en schrijvers genoten aanzien en gezag. Dus met een roman kon je in die tijd rekenen op een groot publiek en serieus genomen worden.

Toch wringt dat een beetje. Zijn voornaamste drijfveer is gelijk krijgen over het onrecht dat anderen – inderdaad – wordt aangedaan. Multatuli wil dat gelijk alleen niet van het lezerspubliek, maar van zijn meerderen. Zo is en blijft hij een Nederlandse bestuursambtenaar, die ‘het beter wil doen’.

Het blijkt vechten tegen de bierkaai. In 1830 is het cultuurstelsel ingesteld, dat neerkwam op monoculturen verbouwen op grote schaal. Kleine boeren werden gedwongen alleen thee of koffie te verbouwen en mochten niet langer zelfvoorzienend bestaan. Dat vernielde hun voedselproductie en sloopte de bevolking. Alleen bracht het zo veel geld in ’s Rijks laatje, dat geen moment werd overwogen ‘de inlander’ te ontzien door iets van het megalomane stelsel terug te draaien. Douwes Dekker, zijnde een luis in de pels van het koloniale regime, moest dus vertrekken. Maar hij was een groot stilist en maakte met Max Havelaar diepe indruk op het vrome, kerkgaande Nederlandse volk, dat zich een hoedje schrok. Dat is het belang van het boek, daarin heeft het decennialang alleen gestaan. Ook toen in 1934 Wij slaven verscheen, bleef Max Havelaar het monument van verzet tegen de Nederlandse koloniale onderdrukking, dat geen slavernij werd genoemd, maar wat het wel degelijk was. Maar literaire monumenten, ach, wie kijkt daar nog naar om? Het kwam in de canon en daarmee was de kous af voor Nederland.

In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de onafhankelijkheidsbeweging in Insulinde, ‘onze’ gordel van smaragd, goed op dreef. Nederland had niets van Multatuli geleerd en gooide elke dissident in het cachot. Boeng Soekarno, Mohammed Hatta: weg ermee. En aan de andere kant van de grote plas, Anton de Kom: weg ermee. Korte metten. En dat boek van die man? Censureren.

Veel minder Nederlanders hadden historische en emotionele banden met Suriname dan met ‘ons Indië’, en Suriname had geen ‘oude, hoogstaande’ cultuur waar men in Nederland de huizen mee stoffeerde en musea voor bouwde. Het interesseerde niemand, terwijl in Nederland de vooroorlogse economische crisis het volk in de armoede stortte en onze oosterburen Hitler in het zadel hesen.

Niet lang geleden heb ik E. du Perrons Het land van herkomst uit 1935 herlezen. Zijn alter ego Arthur Ducroo had als verwende jongen uit Indië genoeg van de armoede die hij terug in Europa als intellectueel en schrijver moest lijden. En toen zijn moeder ook nog eens het in Indië vergaarde familiekapitaal bleek te hebben verbrast en Ducroo vermoedelijk haar jonge protégée had bezwangerd, overwoog hij terug te keren naar Indië, waar de familie grote staat had gevoerd. Suriname wees hij af als alternatief, want daar was geen witte bovenlaag van enige omvang en culturele distinctie. Du Perron heeft de oversteek niet gemaakt. Hij stierf in 1940, net toen het oorlog werd, waarna niemand meer verder terugkeek dan 1940. Hét grote thema in de literatuur werd de oorlog. Weg was Anton de Kom (die in concentratiekamp Neuengamme omkwam en naar wij nu erkennen een verzetsheld was), weg was Wij slaven. Alleen Max Havelaar en Het land van herkomst bleven in de literaire canon prijken.

Wij slaven is een voortreffelijk boek. Het is geschreven in een zorgvuldig, mooi geformuleerd Nederlands waarvan ik durf te stellen dat dat niet meer bestaat. In tegenstelling tot Max Havelaar en zeker Het land van herkomst is De Koms taal zo fris als een hoentje gebleven. Bovendien is het niet geschreven door een Nederlander, van buitenaf, maar door een Surinamer van Afrikaanse afkomst, van binnenuit. De Kom vertelt recht uit het hart, uit zijn liefde voor zijn schitterende land, en uit de wijsheid en de kracht van zijn volk. (Vandaar ‘Wij’ slaven). Stapsgewijs leidt hij de lezer door de geschiedenis van zowel Suriname als zijn volk, dat uit Afrika werd gehaald om in het Nederlandse wingewest als slaaf het onmenselijk zware werk te doen. Elk hoofdstuk behelst een periode die eerst vanuit het Nederlandse en daarna uit het Surinaamse perspectief wordt verteld. Nergens wordt het leed van de zwarte bevolking larmoyant, zoals in Saïdjah en Adinda van Multatuli. De Kom laat zien dat zijn volk trots en zelfbewust bleef, hoezeer de Hollanders op de plantages het moreel ook trachtten te breken. De geschiedenissen van beroemde zwarte opstandelingen worden mondeling overgeleverd, van helden die daardoor mythische proporties hebben gekregen, en die nog steeds door De Koms volk worden vereerd, al werden ze vernederd en vertrapt, gevangengenomen en vermoord. En hij vertelt geen boze sprookjes: hij schrijft over mensen van vlees en bloed. Door van de geschiedenis geen fictie te maken, brengt hij het verhaal onversneden bij de lezer binnen. Voor de moderne lezer, althans voor mij, komt dat gepaster over dan de literaire vorm van Max Havelaar.

De toon van Wij slaven bevat een oplopende lijn, die de lezer moeiteloos meevoert. De Kom begint feitelijk en zakelijk, vol goede moed, en presenteert de handel en wandel van de Hollanders in chronologische volgorde. Die toon houdt hij niet lang vol. Naarmate de geschiedenis voortschrijdt, groeit ook het ongeloof – en vervolgens de woede. Wanneer hij ten slotte in de twintigste eeuw aankomt, is hij er zo klaar mee, klaar met alle overheidsbesluiten, vertegenwoordigers van de kroon en gestrande initiatieven, dat hij die weliswaar nauwgezet blijft opsommen, maar niet zonder dat een nauwelijks verholen minachting voelbaar wordt. Dan wordt de toon sarcastisch over zo veel onkunde en uiteindelijk wordt het welhaast een klucht. Werkelijk begrijpt De Kom niet wat de Nederlanders nu eigenlijk beogen en hij vindt dan ook dat ze beter helemaal kunnen wegblijven.

Op het allerlaatst komt De Koms eigen rol ter sprake. Hij droomt van zijn pas gestorven moeder, die hem heeft gezegd dat hij geen strijd moet voeren, maar dat hij naar de verhalen moet luisteren van de arbeiders die bij hem aankloppen. Luisteren is wat de mensen nodig hebben, zodat ze eindelijk hun verhaal kwijt kunnen en weten dat ze worden gehoord. Daarmee wordt hun recht gedaan. De Kom besluit een adviesbureau te beginnen en vertelt in Wij slaven wat hij daar te horen krijgt. Het is hemeltergend.

Voor dat luisteren wordt De Kom gevangengezet, maar telkens wanneer het ochtend of avond wordt, betuigt hij zijn liefde voor zijn land en strooit met exotische vogels als de tjongtjong, de wieswiessies in de bomen, de eenzame tinji fowroe (de ‘stinkvogel’) die boven de wijde rivier op vis aast, de dansende faja-worong en vertelt hij over de vurige faya­lobi, waardoor je als lezer dat overdadige, kleurrijke landschap met al die geluiden en warmbloedige, zelfverzekerde mensen voor je ziet, haast hoort en bijna kunt ruiken.

De nieuwe uitgave van Wij slaven wordt ingeleid door Duco van Oostrum, die aan de universiteit van Sheffield algemene literatuurwetenschap doceert. Hij is verbaasd dat De Kom geen aansluiting heeft gezocht bij de Afro-Amerikaanse schrijvers van de jaren dertig van de vorige eeuw, gezien de overeenstemmende thematiek. Mij lijkt dat wel te verklaren. De Kom sprak Nederlands en de paters op het mulo waar hij les kreeg, hadden natuurlijk nooit van Afro-Amerikaanse literatuur gehoord – net zomin als de Amerikanen in die tijd.

Wel ligt de synchroniciteit voor de hand. Eind negentiende eeuw was de slavernij overal officieel afgeschaft, maar die werd in een andere vorm gewoon voortgezet. In Noord-Amerika was dat niet anders dan in de koloniën van de Europese landen. De zwarte Amerikanen hadden dezelfde geschiedenis als de zwarte Surinamers en Antillianen (en in Suriname de Javanen en hindoestanen). Geen wonder dat dat dezelfde strijd in dezelfde tijd, en dus dezelfde verhalen opleverde. De Afro-Amerikaanse schrijvers van voor de Tweede Wereldoorlog werden bovendien net zomin in de literaire canon opgenomen als – tot voor kort – Anton de Kom. Sterker nog, ze werden genegeerd en doodgezwegen.

De Kom had niet, zoals Multatuli, de intentie om literair schrijver te worden en te worden opgenomen in de literaire canon. Hij zocht begrip voor de mensonterende situatie van de arbeiders en verbetering van leefomstandigheden voor zijn landgenoten. Bijvangst is dat hij net zo’n groot stilist is als Multatuli. Wat dan weer rechtvaardigt dat Van Oostrum erop hamert dat ook Wij slaven literaire erkenning verdient. Natuurlijk, aan Humberto Tan is te danken dat De Kom werd verkozen tot Non-fictie Boek van het Jaar, maar die waardering is slechts een druppel op de gloeiende plaat. Bovendien doen de stukjes van Cornelisse, die zich vrolijk maakt over de rare gewoontes in Japan, afbreuk aan die eer. Haar boek is niet meer dan een vorm van aapjes kijken die lezers terugwerpt naar de negentiende eeuw en die niet met Wij slaven had mogen wedijveren.

Wanneer de hype is vervlogen, verdwijnen genomineerden van literaire prijzen meestal in de vergetelheid. Daarom is het de hoogste tijd dat Anton de Kom in het collectieve geheugen van Nederland wordt verankerd. Want hij is dan wel onlangs in de canon opgenomen, dat betekent nog niet dat hij in brede kring wordt gelezen. Zijn boek is te belangrijk om weer weg te vallen in de geschiedenis, én Wij slaven is literatuur. Het verdient dan ook erkenning op dat vlak, evenzeer en zelfs minstens evenveel als Max Havelaar. Literatuur draait immers om de vertelkunst, om de taal en compositie en de verbeeldingskracht, en om de mate waarin juist die aspecten een boek boven welk genre dan ook uittillen. En als we dan weer eens behoorlijk onderwijs in het vak Nederlands herinvoeren, hoop ik dat toekomstige leerlingen zowel Anton de Kom als Multatuli (in ieder geval de eerste vier hoofdstukken) moeten lezen, waarna ze hun favoriet moeten kiezen. Ik weet nu al wie dan onverslagen de geschiedenis in gaat.