Ik ben er niet trots op om dit te vertellen, maar tot een paar jaar geleden (ik ben nu vierendertig) had ik nog nooit gestofzuigd, gedweild of de ramen gelapt en had ik ook nog nooit een maaltijd gemaakt die andere mensen met plezier opaten.
Ik groeide op met alleen mijn moeder, en omdat ik haar laatste kind was, een nakomertje, werd ik in de watten gelegd. Afwassen, opruimen of koken: dat hoefde ik allemaal niet. Ik lag voornamelijk op een chaise longue voor de televisie.
Na mijn eindexamen ging ik in een groot studentenhuis wonen en ook daar lukte het me om te leven zonder iets aan het huishouden te doen. Dit riep bij geen van mijn huisgenoten weerstand op. Ze accepteerden het denk ik omdat ik – dat kan ik wel zeggen – door iedereen erg sympathiek werd gevonden. Al zou ik het ook minder positief voor mezelf kunnen uitleggen: ze hadden me al opgegeven. Er werd simpelweg niets van me verwacht.
Huisgenoten die af en toe moeiteloos een indrukwekkende maaltijd maakten voor acht of tien man, die soms de handen uit de mouwen staken en in een uur even de keuken helemaal aan kant maakten – ja, van hen kon je verwachten dat ze het gingen maken in het leven. Over een paar jaar hadden ze een goede baan, een huis en een gezin.
Of dat voor mij ook was weggelegd… Dat leek me eigenlijk niet. Maar ik leefde er niet minder gelukkig door.
Pas toen ik te oud werd om nog in een studentenhuis te wonen, begon ik last te krijgen van mijn afwezige huishoudcapaciteiten. Eerst leefde ik een tijdje samen met twee oud-huisgenoten in een appartement in Amsterdam-West. Zij hadden al serieuze banen, terwijl ik mijn studententijd nog wat rekte. Zij waren de hele dag weg en ik zat thuis. Achteraf snap ik wel dat het hun begon te irriteren dat ik nooit iets opruimde of schoonmaakte. Maar ik vond hun woede-uitbarstingen behoorlijk overdreven. Zo hadden we nog nooit tegen elkaar gedaan. Ik vond het ook nogal kleinburgerlijk om te gaan zeuren over een vies bord op de bank of een wc die misschien wat slordig was achtergelaten. Ongelooflijk hoe snel vrienden kunnen veranderen in zeurpieten als ze eenmaal beginnen met werken.
Ze regelden dat ik ergens anders ging wonen, samen met een wat jongere oud-huisgenoot die als kind op een kostschool had gezeten. Net als ik had hij er geen flauw benul van dat schoonmaken en opruimen voor andere mensen bij het leven hoorden. Die periode dat we samenwoonden heeft niet zo lang geduurd maar ik denk er toch met veel plezier aan terug. We konden het goed met elkaar vinden. Weinig wederzijdse irritaties waren er.
Helaas werden we er al na een paar maanden uitgezet door de huisbaas, die zei dat hij nog nooit zoiets had meegemaakt. Hij had het over ‘een ranzige zwijnenstal’. Er moest een of andere speciale, voortvarende schoonmaakdienst aan te pas komen.
Gelukkig kon ik intrekken bij mijn toenmalige vriendin, die al snel mijn ex-vriendin werd. Ze vond me goor, lethargisch en ik geloof zelfs getikt. Als ik er in het café met mijn vriend die op de kostschool had gezeten over praatte, konden we het allebei amper geloven. Maar het was toch echt zo: mijn relatie was stukgelopen omdat ik niet goed schoonmaakte. Zoiets banaals als een gebrek aan schoonmaakkwaliteiten kon blijkbaar afbreuk doen aan wat door iedereen ter wereld wordt beschouwd als het mooiste wat het leven te bieden heeft: de liefde. Ik vond het niet zo’n fijne eyeopener.
Zelfs op mijn werk kreeg ik er problemen door. Ik werkte op een klein reclamebureau met vijf medewerkers. Iedere dag moest een van ons de lunch verzorgen en daarna opruimen. Mijn populariteit daalde flink na wat ik maar het ‘gele doekjes-incident’ zal noemen. Nog nooit in mijn leven had ik een geel doekje vastgehouden. Ik wist niet eens dat gele doekjes bestonden. Maar voor mijn collega’s bleek zo’n geel doekje van levensbelang. Ze wilden per se dat ik er na de lunch mee over de tafel ging (het was de tafel waaraan we niet alleen lunchten maar ook vergaderden en werkten). Ik snapte niet waarom ze er zo’n punt van maakten. We begrepen elkaar niet. En nog altijd vraag ik me af in hoeverre het incident van invloed is geweest op mijn ontslag.
Later heb ik nooit meer iemand van het reclamebureau gesproken. Of, o ja, toch wel: een keer kwam ik een oud-collega tegen in de supermarkt. Ik vroeg of hij nieuwe gele doekjes ging kopen. Er kon een zuur lachje vanaf. Hij was zo iemand bij wie de humorloosheid zegevierde.
De lange geschiedenis van mijn huishoudonkunde kent nog vele andere verhalen, maar ik zal me beperken tot nog één anekdote: een tijdje had ik een vriendin, of meer een scharrel eigenlijk, bij wie ik gedurende een paar maanden eens in de week bleef slapen. Op een nacht kwam ze bij mij thuis. We betraden het bed, allebei in de ban van wat komen ging. Tot Lizet of Liesbeth, ik weet het eigenlijk niet meer, ineens diep inademde. Ze vroeg: ‘Wanneer heb je voor het laatst je bed verschoond?’
‘Geen idee,’ zei ik argeloos. Nog nooit, besefte ik. Maar dat leek me geen goed antwoord. ‘Ergens in de zomer,’ zei ik dus maar. Dit speelde zich af in de winter.
Ze stapte van het bed, deed de lamp aan, keek vol afgrijzen naar wat ze mijn ‘nest’ noemde en zei: ‘Gatverdamme. Nooit van mijn leven dat ik hier ga slapen.’ Waarna ze zich aankleedde en vertrok. Laatste keer dat ik haar heb gezien.
Het is nooit een kwestie van onwil geweest. Ik had gewoon geen flauw idee.