Een van de gelukkigste mensen ter wereld

door Arnon Grunberg

– 1 –

Levi Pokorny was gereformeerd opgevoed en hij trouwde met een vrouw die nog geloviger was dan zijn ouders. Ze had tegen hem gezegd: ‘Je mag me hebben als je belooft net zoveel van Christus te houden als van mij.’ Levi antwoordde dat dit geen probleem was en hij werd fanatieker dan zijn ouders en zijn twee zussen, wier gebeden en gezang uiteindelijk als plichtmatig afstaken bij die van Levi, alsof hij wilde bewijzen dat zijn ouders en zijn twee zussen God al die jaren hadden verwaarloosd en ze ondanks hun goede bedoelingen toch in de hel terecht zouden komen.

Levi en zijn vrouw zouden het anders doen, Levi’s vrouw had halflang bruin haar, een wat popperig gezicht en ze droeg altijd oorbellen, omdat haar moeder had gezegd dat oorbellen haar zo goed stonden. Ze heette Juliette.

Wat Levi als kind zo aantrekkelijk aan het geloof had gevonden, was de hel, en dan vooral dat er mensen waren die daarheen gingen en mensen die dat lot bespaard bleef, mensen die een andere, betere bestemming kregen toebedeeld. God en het paradijs deden hem weinig, maar aan de hel en de duivel kon hij dag en nacht denken. Hij liep als negenjarige door de straten van de provinciestad waarin hij opgroeide, keek naar passanten en dan wist hij: ‘Daar gaat er weer een, linea recta op weg naar het vuur.’ Heerlijk vond hij dat, hoewel hij ook begreep dat medelijden eerder op zijn plaats was.

Levi kon daarbij een tikkeltje boosaardig zijn. Dan ging hij bijvoorbeeld naar een man die zichtbaar ongelovig was (de man droeg een tulband) en zei: ‘U zoekt zeker de hel, meneer.’ Dat ging zo door tot Levi’s vader dit een keer hoorde en hem meteen een klap gaf. De vader voegde eraan toe dat dit niet de manier was om de mensen te redden en de boodschap van Christus uit te dragen. De volgelingen van de Mensenzoon waren weliswaar richtingsaanwijzers, maar ze wezen de weg naar het paradijs en de verlossing, niet de weg naar de verdoemenis en de eeuwige marteling. Levi’s vader zei: ‘Het gaat erom dat je een goede richtingsaanwijzer wordt.’

Als puber betrapte Levi zich op een verlangen zelf de hel te leren kennen, hij wilde erdoorheen lopen, alle uithoeken ervan bewonen, de muren aanraken – voor zover de hel muren had, maar Levi dacht van wel, zoals hij zich het hele universum met muren voorstelde – alsof het branden in het vuur stiekem een genot zou zijn. Het lot van de zondaars die redding weigerden, die hun hart gesloten hielden, die verkild waren, kwam hem aantrekkelijk voor. Ja, hij verlangde naar de verkilling. Was mijn hart maar van ijs, kon hij denken, al deelde hij dergelijke gedachten met niemand. Wel had een dominee een keer tegen hem gezegd dat het koudste stukje van de hel beter was dan het warmste stukje van de hemel en daarop had Levi om uitleg gevraagd, maar de uitleg van de dominee, een meanderende zin over liefde en vergiffenis, over de vrije wil en deemoed, over beloning en straf en de raadselachtige betekenis van het noodlot waarin de hand was te herkennen van Hem die alles stuurde, bevredigde hem niet.