Op literaire expeditie naar Zweden

door Thomas Heerma van Voss

Snelwegen ontbreken in dit deel van het land. Tussen de bomen door loopt alleen een lange strook asfalt die zich schikt naar de heuvels en waarop niemand harder mag rijden dan tachtig kilometer per uur – al lijkt het me onwaarschijnlijk dat de snelheid hier ooit wordt gecontroleerd. Behalve een enkele tegenligger komen we niemand tegen. Volgens Google Maps duurt het met het openbaar vervoer zes à vijftien uur om onze bestemming te bereiken. Met de auto is het maximaal dertig minuten. Zo nu en dan worden de bossen afgewisseld door meertjes, of verzamelingen van drie, vier houten woonhuizen in die typisch Zweedse donkerrode kleur – steeds met een enorme tuin erbij: ruimte genoeg. Even bekruipt me de vraag of mensen in zo’n omgeving, met zo veel weidsheid en zo weinig afleiding, eerder gaan schrijven dan mensen in een grote stad. Of ikzelf anders was gaan schrijven als ik hier was opgegroeid – of dat dat allemaal bijkomstigheid en bijgeloof is, romantische gedachtes waarmee je als je niet oppast de plek of woonplaats van een auteur veel te veel kracht toedicht.

Na een tijdje kondigt een verkeersbord een hotel aan dat niet meer bestaat. Kort daarna bereiken we onze bestemming.

Mårbacka, Zweden. Het is een landgoed waaraan al bijna een eeuw niets is veranderd en waar Nobelprijswinnaar Selma Lagerlöf in 1858 werd geboren, opgroeide en vrijwel al haar werk schreef, waaronder de klassieker Niels Holgerssons wonderbare reis (1907). Een kinderboek, maar het soort waar volwassenen meteen mee wegliepen, een categorie waarvan later ook Astrid Lindgren en Annie M.G. Schmidt deelgenoot werden: ingenieus, fantasierijk, vooralsnog tijdloos. Diezelfde adjectieven werden meteen op Lagerlöfs werk losgelaten. Ze schreef tientallen boeken, bleef verhalen verzinnen tot aan haar dood in 1940, vanzelfsprekend op Mårbacka. Tot voor kort had ik nog nooit van het landgoed gehoord. Ook de naam ‘Lagerlöf’ zei mij eerlijk gezegd vrijwel niets.

Zonder te weten dat ze hier zo dichtbij opgroeide, laat staan dat haar vroegere landgoed zo zorgvuldig is geconserveerd en tegenwoordig als openluchtmuseum dienstdoet, ben ik met mijn vriendin naar dit gedeelte van Zweden afgereisd. Värmland is de naam; een streek die volgens toeristeninlichtingen de natuur als ‘grootste speeltuin’ heeft. In het kader van rust, willekeur en afzondering hebben we een huis gehuurd in Munkfors. Een dorpje met één bakker, één pizzeria en meer verkeersdrempels dan inwoners. Er is zo veel ruimte dat de inwoners zichtbaar niet weten wat ze ermee moeten. In heel Värmland zijn flinke stukken land waar het gras niet wordt gemaaid, paarden vrij spel hebben en honderden bomen kriskras door elkaar groeien.

En er is dus Mårbacka – een van de weinige musea hier. Misschien wil ik het daarom bekijken. Misschien omdat ik niet precies weet hoe ik de natuur als speeltuin kan gebruiken. Of wellicht wil ik naar Mårbacka om voor het eerst het huis van een Nobelprijswinnaar te zien. Maar het is ook voorstelbaar – zo realiseer ik me terwijl we onze auto achterlaten op de ambitieus grote parkeerplaats waar hooguit tien van de honderd vakken worden gevuld – dat mijn verlangen tot bezoeken werd aangewakkerd door een essay van Roderick Nieuwenhuis in De Groene Amsterdammer.