Kikkerdril

door Renske van den Broek

‘Papa heeft dat huisje om aan zijn schilderijen te werken, dat zegt hij zelf!’ roep ik. Flips neus raakt zowat de mijne.

‘Je kunt wel merken dat jij nog een kind bent. Hij heeft dat huisje niet om te schilderen, maar om met andere vrouwen te neuken, vrouwen met grote tieten.’ Flip beweegt een vinger op en neer in een cirkel die hij met de duim en wijsvinger van zijn andere hand maakt. ‘Hij doet maar, ik ben toch weg.’

‘Denk je echt dat papa en mama je op kamers laten gaan? Je bent pas zestien!’

‘Zeventien.’

‘Dan nog.’

‘Moet jij eens opletten.’

‘Blijf nou maar gewoon. Als papa dat andere huisje heeft, komt alles misschien wel weer goed.’

De eerste week

Papa drong net zo lang aan tot ik meeging. Hij wil denk ik vooral zelf zien hoe die friemelende dingetjes langzaam veranderen in kikkers. Magie, noemt hij dat. Biologie, zeg ik dan. Daar moet hij om lachen. Vaak zegt hij dat hij eigenlijk biologieleraar had moeten worden. Ik denk dat het beter is dat hij gewoon op een kantoor werkt. Voor de klas zou hij binnen een week ontploffen. Dat gebeurt heel makkelijk, als ik cola mors, of mama de tuinbonen te laat uit de vriezer haalt. Je weet nooit waar de mijnen verstopt liggen, maar vroeg of laat stap je erop en dan is het te laat.

Hij houdt me aan één arm vast terwijl ik met het schepnet door de groene smurrie roer. Op het water ligt een laag kroos die niet opzij wil, ik krijg een lamme arm. ‘Weet je zeker dat we niet te laat zijn, pap?’

‘Aaron, jochie, die sloot ligt bomvol kikkers in wording!’ Hij lacht.

Maar als het even later nog steeds niet is gelukt, ligt hij vloekend in het gras en maait met zijn armen door de sloot. Zijn trui zuigt het water op als een vaatdoekje. Ik wacht met mijn schepnet langs de kant. Mijn maag knort.

Het is al lang etenstijd. Mama vraagt zich vast af waar ik blijf, maar papa wil per se zijn nieuwe huisje laten zien. We rijden naar de andere kant van het dorp. Op schoot heb ik een jampot vol kikkerdril.

Vanaf de straat lijkt papa’s huis op een soort lage flat. Het trappenhuis aan de buitenkant van het gebouw heeft wel een dak, maar geen muren. Het ruikt naar brand, op de trap heeft iemand fikkie gestookt. Iedere verdieping heeft twee deuren naast elkaar, nummer 56 is van mijn vader. Iemand heeft een piemel in de voordeur gekrast.

Het huis heeft maar één verdieping. Overal ligt vloerbedekking. Op sommige plekken zit een vlek. Mijn vader haat vlekken en hij haat vloerbedekking. Sommige spullen herken ik van thuis; de bruine flessen met de droogbloemen, het Chinese kastje uit de gang, de barkrukken met de rieten zittingen die Flip en ik op veel plaatsen hebben losgepeuterd. Er staan ook nieuwe meubels, die er oud uitzien. Misschien heeft hij ze gekregen van al die vrouwen die hij neukt.