Gedichten

door Emma van Hooff

op een dag valt een lach mijn gezicht aan

met de zekerheid van een intentieverklaring

het is dezelfde dag waarop iedereen tegelijk

de steunkousen van de toekomst optrekt

geen wonder dat ze niet zelfstandig op kon staan

maar daar staat ze op een dag zijn de museums

de straat en de straat de museums op een dag

leer ik mijn gedachtes van kwik te zijn zodat ze

smelten bij kamertemperatuur dan loop ik zomaar

bij je binnen en kijk ik over een rand eindelijk

kijk ik over een rand en blijkt het daar allemaal

veel gezelliger waar was ik al die tijd mee bezig

op een dag verklaar ik de nacht oranje let maar op

dan zwengel ik een vrolijk ritme aan zo opzichtig

dat iedereen de hendel ziet zitten en er op elk gewenst

moment zelf aan kan gaan hangen ja op een dag ja

ga ik op mijn hoofd staan en besef ik dat een berg

een uitgestoken tong is naar de hemel op een dag

zie ik mezelf op die berg staan steunend van het ene

op het andere been en noem ik me popelend


*


wat: het landschap vertrouwen

hoe: de haai vergeten

drijft al jaren dood in z’n aquarium

kleurt het water prachtig groen

alsof hij ergens een goed antwoord op gaf

je hebt hier vragen over

maar die kunnen wachten

denk het vliesje van je hersens

tot bal en schop jezelf door de straten

het vermogen kiezelstenen

tot tegels plat te slaan

de leidingen daaronder

tot zee

drijft al jaren dood in de buizen onder je terras

zie haar ongecontroleerde golven maken

alsof ze voor het eerst de wei in mag

ach

stik in je landschap

twee manieren:

wees onverschillig

bij alles wat langs je heen gaat

zoals je keel dat al jaren doet

of

werp de scherpe eindjes van je zinnen

naar de sluipende leegte achter je

kijken of je haar omtrek vast kunt nagelen


*


hoi goeie ouwe

vierde muur van me

en hoi zinnen

die ik omdraaide

als dode beesten

op een grillplaat

steeds maar weer

omdraaide kijk

deze kant

ook dood

hoi verbrande stukjes

die ik naar jullie

toe wil brengen

maar verbrande stukjes

zijn serieuze stukjes

die ziektes opwekken

hoi ziektes groot en

duur hoi eerste

dode zin op volgende

dode zin hoi goeie ouwe

vierde muur van me

ik loop even van je weg

om je te beoordelen

hoi afstand hoi smeulend feestje

wat ben jij groot geworden

hoi verrassend lange tijd

die ik in de wangen knijp

en omdraai

steeds maar weer omdraai

om het einde te vinden

dat er natuurlijk niet is


*


omdat ik wil laten zien hoe een gelukkig hoofd eruitziet

moet nu iemand op het grasveld gaan liggen

wat mij betreft mag deze persoon later zeggen dat het

een spijkerbed was zodat hij of zij er een heldhaftig

verhaal aan overhoudt als er maar iemand op het gras ligt

en kijkt naar het bloeien van de magnolia en zegt die blaadjes

net waren het nog gebalde vuisten en nu gespreide handen

iets over vergeving of zo

nu zou je willen schreeuwen DIE BLAADJES VALLEN STRAKS

AMBITIELOOS VEKLEURD OP DE GROND NET ALS JE OGEN

maar nee niets van dat alles een gelukkig hoofd

is een kerk na de beeldenstorm

ieder zorgvuldig opgehangen doek verbrand door de hitte

al het glas in lood het buitenverblijf in gesprongen op zoek

naar publiek en zo hoort het

wie verlangt naar wat ruimte ziet deze opsmuk is brandbaar

en dit is het tijdperk van zitten dus zit

zie hoe het opstijgt richting hemel

waar je nu naar kunt gluren zonder pijn in je nek

dagenlang zal je naar de hemel gluren liggend

op het gras nu je weet dat naar de hemel gluren

in de hemel niet kan de hemel heeft een zeldzaam laag plafond

de akoestiek is koppijn bij ieder zuchtje

en er is zo ontzettend veel licht

dat je alleen maar naar het rood

van je oogleden kunt kijken

waar je in wil zwemmen

als het blauw was geweest